ECLI:NL:RBMNE:2025:2144

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
UTR 24_5287
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onduidelijkheid rechtsopvolgers na overlijden eiser

Eiser heeft op 28 augustus 2023 een inzageverzoek ingediend op grond van de AVG. Tijdens de procedure is eiser overleden, waarna namens de erven bezwaar en beroep zijn ingesteld zonder dat hun identiteit duidelijk was.

De minister wees het verzoek af omdat de AVG niet van toepassing is op overleden personen en het inzagerecht niet overdraagbaar is. De rechtbank verzocht om een verklaring van erfrecht om vast te stellen wie bevoegd is om het beroep te voeren.

De erven voldeden niet aan dit verzoek en verschenen niet op de zitting zonder bericht van verhindering. Hierdoor kon niet worden vastgesteld wie bevoegd is, waardoor de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en niet inhoudelijk behandelde.

De rechtbank wees het griffierecht en proceskosten toe aan de minister. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onduidelijkheid over de rechtsopvolgers en het ontbreken van een verklaring van erfrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2025 in de zaak tussen

de erven van [overledene] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. A. van der Linde en mr. M. Baarslag).

Procesverloop

1. Op 28 augustus 2023 heeft de toenmalige gemachtigde van [overledene] (van Hertoghs Advocaten) namens hem een inzageverzoek gedaan op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
1.1.
Op [overlijdensdatum] 2023 is [overledene] overleden.
1.2.
De minister heeft het verzoek bij besluit van 23 oktober 2023 afgewezen omdat de AVG niet van toepassing is op overleden personen en het inzagerecht niet voor overgang vatbaar is.
1.3.
Namens ‘de erven van [overledene] ’ is door Hertoghs advocaten bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Daarbij zijn naam en adresgegevens van deze erven niet bekend gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 december 2023 heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Hertoghs advocaten heeft namens ‘de erven van [overledene] ’ beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij zijn naam en adresgegevens van deze erven niet bekend gemaakt.
1.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Op 24 januari 2025 heeft Hertoghs advocaten aan de rechtbank laten weten dat zij de erven van [overledene] niet langer bijstaan als gemachtigde.
1.7.
Op 14 april 2025 hebben [erven 1] en [erven 2] zich gemeld als (beneficiair aanvaard) erfgenamen van [overledene] en hebben zij verzocht om uitstel van de zitting.
1.8.
Op 16 april 2025 heeft de rechtbank bij [erven 1] een verklaring van erfrecht opgevraagd.
1.9.
Op 24 april 2025 heeft de rechtbank het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de minister. De erven van [overledene] zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Voordat de rechtbank het beroep kan beoordelen, moet worden vastgesteld wie als rechtsopvolger(s) van wijlen [overledene] bevoegd kunnen zijn om beroep in te stellen tegen het door de minister genomen bestreden besluit. Om deze reden heeft de rechtbank met de brieven van 16 april 2025 en 24 april 2025 de nabestaanden verzocht om een verklaring van erfrecht.
3. Tot op heden hebben de nabestaanden niet de gevraagde verklaring van erfrecht bij de rechtbank ingediend. Ook zijn de gestelde erfgenamen [erven 1] en [erven 2] zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen. Daardoor kan niet worden vastgesteld wie de erfgenamen zijn van de overledene en dus ook niet of diegene(n) bevoegd is/zijn om het beroep in te dienen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het niet (tijdig) toezenden van de verklaring van erfrecht de nabestaanden niet valt toe te rekenen. De rechtbank zal het beroep dan ook niet‑ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.