ECLI:NL:RBMNE:2025:2155

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
16-032961-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 1 sub c Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 eerste lid Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 eerste lid 1 SvArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaarschrift tegen opname DNA in databank minderjarige met autisme

Een minderjarige veroordeelde kreeg een taakstraf van 35 uur opgelegd voor openlijk geweld en opzettelijke vernieling. Na een bevel tot DNA-afname werd zijn celmateriaal afgenomen voor opname in de DNA-databank. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze opname vanwege zijn autisme, wat leidt tot voortdurende stress en onvermogen tot relativering.

De raadsman voerde aan dat de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, waaronder de minderjarigheid en de lichte straf, maken dat opname van het DNA-profiel niet van betekenis zal zijn voor opsporing en vervolging. De officier van justitie erkende deze bijzondere omstandigheden en stelde zich op het standpunt dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard.

De rechtbank overwoog dat hoewel de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen generieke uitzondering voor minderjarigen kent, in dit concrete geval de bijzondere omstandigheden, waaronder de lichte taakstraf en het autisme van de veroordeelde, leiden tot disproportionaliteit van DNA-opname. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen opname van het DNA-profiel in de databank is gegrond verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer : 16-032961-23
raadkamernummer : 25-001604
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer, op het op 20 januari 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift op de voet van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna te noemen: de Wet), van
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres: [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Putten,
(hierna te noemen: veroordeelde).

Procedure

Het bezwaarschrift is in raadkamer met gesloten deuren behandeld op 15 april 2025.
Gehoord zijn de officier van justitie, veroordeelde en zijn raadsman.
Veroordeelde maakt bezwaar tegen het bepalen van zijn DNA-profiel en de verwerking daarvan in een DNA-databank.
De raadkamer heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen veroordeelde als verdachte (met bovenvermeld parketnummer), van voornoemd bezwaarschrift en van het schriftelijk standpunt van de officier van justitie.
De raadkamer gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift uit van de volgende feiten en omstandigheden:
1. op 25 november 2024 is aan veroordeelde bij strafbeschikking een taakstraf van 35 uren opgelegd ter zake van openlijk geweld goederen en opzettelijke vernieling, welke strafbeschikking onherroepelijk is geworden;
2. op 11 december 2024 is door de officier van justitie een bevel tot afname van DNA-materiaal gegeven;
3. op 14 januari 2025 is bij veroordeelde celmateriaal afgenomen.

Bezwaarschrift

Veroordeelde heeft in raadkamer gesteld dat hij autisme heeft. Nu zijn DNA-materiaal is afgenomen voor het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel in een DNA-databank blijft dit continu in zijn hoofd spelen. Hij kan hier geen afstand van nemen en hij kan dit ook niet relativeren. Dit levert veel stress op voor hem. Hij krijgt ook hulp bij de begeleiding van de stress. Veroordeelde verzoekt dan ook om het bezwaar gegrond te verklaren.
De raadsman heeft in raadkamer gesteld dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Veroordeelde heeft autisme, waardoor die bijzondere omstandigheden op alle leefgebieden van veroordeelde spelen.
Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat door de Hoge Raad is gesteld dat de minderjarigheid de bijzondere omstandigheden kunnen inkleuren. Ook heeft de raadsman een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage overgelegd, waaruit blijkt dat er een beleidsregel bij het Openbaar Ministerie geldt dat het Openbaar Ministerie geen bevel tot DNA-afname uitvaardigt, indien er sprake is van een minderjarige veroordeelde en er geen zwaardere straf dan een taak- of leerstraf van veertig uren is opgelegd. De raadsman verzoekt het bezwaar dan ook gegrond te verklaren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat er sprake is van een uitzondering op grond van de Wet, te weten de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd. De officier van justitie neemt hierbij in aanmerking dat er aan de veroordeelde minderjarige een taakstraf van minder dan veertig uren is opgelegd en dat het Openbaar Ministerie in soortgelijke gevallen DNA-afname in de regel achterwege laat. Daarnaast is er bij veroordeelde sprake van autisme, waardoor het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel in een DNA-databank veel impact heeft op veroordeelde.
Het bezwaarschrift moet daarom gegrond worden verklaard.

Beoordeling

De raadkamer stelt vast dat veroordeelde valt onder de definitie van veroordeelde als bedoeld in artikel 1 sub c van Pro de Wet en dat artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvoor veroordeelde is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 eerste Pro lid 1 Sv, zodat artikel 2, eerste lid aanhef van de Wet toepassing vindt.
Uitgangspunt van de Wet is dat dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in de Wet genoemde uitzonderingen voordoet. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.
De Wet noemt in artikel 2, eerste lid, twee uitzonderingscategorieën, namelijk (onder a) dat reeds een DNA-profiel van deze persoon is verwerkt en (onder b) dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift staat de vraag centraal of zich een uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet.
Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.
In de Wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, zodat geen ruimte is voor een generieke uitzondering voor minderjarigen. Zo’n generieke uitzondering kan ook niet worden ontleend aan het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
De raadkamer is echter van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet, te weten de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, die in de weg staat van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.
De raadkamer neemt daarbij in aanmerking dat er aan veroordeelde minderjarige een lagere taakstraf dan 40 uur is opgelegd en dat het Openbaar Ministerie in soortgelijke gevallen DNA-afname in de regel achterwege laat. Ook neemt de raadkamer in aanmerking dat veroordeelde autisme heeft en dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel in een DNA-databank continu in zijn hoofd blijft spelen en dat dit veel stress oplevert voor hem.
Derhalve is de rechtbank in onderhavige, concrete zaak van oordeel dat het bepalen, opnemen en verwerken van het DNA van veroordeelde disproportioneel is en tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift dient te leiden.
Het bezwaarschrift zal daarom gegrond worden verklaard.

Beslissing

De raadkamer:
- verklaart het bezwaar
gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 15 april 2025 door mr. A.M.M. Lemmen, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M.H.W. Boelhouwers, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.