ECLI:NL:RBMNE:2025:2208

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
590830
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en start programma Parallel Ouderschap ter ondersteuning ouders

De kinderrechter van Rechtbank Midden-Nederland heeft op 1 mei 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van negen maanden, tot 12 februari 2026. Dit besluit volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI), die de zorg voor het kind begeleidt. De ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben, wonen gescheiden en de minderjarige verblijft bij de moeder.

De ondertoezichtstelling was reeds van kracht sinds 12 augustus 2022 en liep tot 12 mei 2025. De kinderrechter constateert dat de ontwikkeling van het kind nog steeds bedreigd wordt, vooral door spanningen en grensoverschrijdend gedrag tussen de ouders. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt dankzij hulpverlening gericht op communicatie en emotie-regulatie, zijn de problemen niet volledig opgelost.

De verlenging van negen maanden biedt ruimte om het programma Parallel Ouderschap te starten, dat individuele ondersteuning aan de ouders biedt om hun communicatie te verbeteren. De betrokken jeugdbeschermer zal de voortgang monitoren en waar nodig bijsturen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor deze direct van kracht is, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van het kind wordt verlengd met negen maanden en het programma Parallel Ouderschap wordt gestart.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/590830 / JE RK 25-450
Datum uitspraak: 1 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Krol,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 25 maart 2025;
  • de nagekomen stukken van de GI, ontvangen op 11 april 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol;
- mevrouw [A] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
[minderjarige] is bij beschikking van 12 augustus 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna verlengd, de maatregel loopt tot 12 mei 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor de onderbouwing van het verzoek, verwijst de kinderrechter naar het ingediende verzoekschrift.

4.De standpunten

4.1.
De vader kan zich vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij vader vindt de hulp binnen de ondertoezichtstelling prettig. De vader heeft zorgen over de impact van het gedrag van de moeder op de ontwikkeling van [minderjarige] en hoopt dat de komende tijd de juiste hulpverlening wordt ingezet.
4.2.
De moeder staat ook achter de verlenging van de ondertoezichtstelling, hoewel zij meent dat negen maanden aan de lange kant is. De moeder erkent dat de communicatie tussen de ouders nog niet perfect is, maar het gaat al veel beter dan in het verleden. De moeder wil de hulpverlening blijven accepteren, en vindt een verlenging van zes maanden daarom realistischer.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
[minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter vindt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden, omdat de gestelde voorwaarden nog niet volledig zijn behaald, vooral op het gebied van de samenwerking tussen de ouders. Enige vooruitgang is geboekt, maar er blijven problemen bestaan, zoals grensoverschrijdend gedrag van de moeder richting de vader en onduidelijkheid over hoe de vader hiermee omgaat. De moeder heeft psychologische hulp en hulp bij het reguleren van emoties, maar er is nog werk te doen. [minderjarige] is op dit moment namelijk nog steeds getuige van spanningen tussen zijn ouders.
5.3.
De hulpverlening heeft zich de afgelopen tijd gericht op de bovengenoemde ouderproblematiek, zoals het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het implementeren van afspraken over minimaal contact. Beide ouders hebben hulpverleners en er is enige vooruitgang geboekt, maar er zijn nog steeds spanningen tussen de ouders die zonder de kaders van een ondertoezichtstelling weer kunnen gaan escaleren. Er zijn geen signalen dat de zorg voor hun kind, [minderjarige] , in gevaar is, maar hij heeft wel extra ondersteuning nodig door zijn taalachterstand en cognitieve uitdagingen.
5.4.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling daarom voor de duur van negen maanden. [1] In deze tijd kan het programma "Parallel Ouderschap" worden gestart. Negen maanden is een goede tijdsinschatting, gelet op de wachttijd voor dit traject. Het programma zal de ouders individueel ondersteunen in hun communicatie en in het leren omgaan met elkaar, met als doel de ondertoezichtstelling uiteindelijk af te kunnen sluiten. De kinderrechter acht het daarbij van belang dat de betrokken jeugdbeschermer de ontwikkelingen tussentijds monitort en sturing biedt waar dat nodig is.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van negen maanden, te weten tot 12 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2025, in aanwezigheid van mr. C. A. Lammertink als griffier en op schrift gesteld op 8 mei 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW.