De franchisenemer exploiteerde vijf jaar een vestiging binnen de franchiseformule van de franchisegever. Hij vorderde een schadevergoeding van ruim €653.000 wegens vermeende tekortkomingen in de advisering en ondersteuning, met name bij het verkooptraject van zijn onderneming.
De rechtbank oordeelde dat de franchisegever niet tekort is geschoten in haar contractuele en wettelijke verplichtingen. Hoewel de franchisenemer stelde dat onvoldoende hulp werd geboden bij de verkoop, was er geen wettelijke of contractuele verplichting tot hulp bij het vinden van een koper. De franchisegever had zelfs een plan van aanpak opgesteld en pogingen gedaan te ondersteunen, maar de franchisenemer had onvoldoende inspanningen verricht.
Daarnaast was de onderneming verlieslatend door hoge kosten en persoonlijke omstandigheden van de franchisenemer, waarvoor de franchisegever niet aansprakelijk is. Ook andere verwijten, zoals onjuiste advisering over de koopprijs en verplichtingen tot investeringen, werden verworpen. De franchisenemer had geen concrete hulpvragen gesteld en geen ingebrekestelling gestuurd.
De rechtbank wees alle vorderingen af en veroordeelde de franchisenemer tot betaling van de proceskosten van ruim €13.900. Het vonnis werd gewezen door rechter M.S.T. Belt op 21 mei 2025.