ECLI:NL:RBMNE:2025:2230

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
UTR 24/6493
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na besluit aanvullende compensatie

Eiseres heeft op 18 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder stelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat op 3 oktober 2024 al een besluit was genomen, vóór het indienen van het beroep.

De rechtbank overweegt dat procesbelang vereist is om ontvankelijk te zijn in een beroepsprocedure. Procesbelang betekent dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang moet hebben bij de uitkomst van de procedure. Omdat verweerder al een besluit had genomen voordat het beroep werd ingesteld, was het doel van het beroep bereikt en is het procesbelang komen te vervallen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok en griffier E.J.H.C. Hui op 15 april 2025.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),
en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld op 18 oktober 2024, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 29 oktober 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiseres geen procesbelang heeft, omdat verweerder op 3 oktober 2024 een besluit heeft genomen over de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [4]
3. Bij beschikking van 3 oktober 2024 – dus voordat het beroep niet tijdig beslissen door eiseres was ingediend bij de rechtbank – heeft verweerder beslist op de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. De rechtbank stelt vast dat dit betekent dat alvorens eiseres beroep had ingesteld, bereikt was wat zij met het beroep beoogde te bereiken, namelijk dat alsnog een besluit wordt genomen. Het procesbelang van eiseres bij dit beroep is daarom komen te vervallen.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.