In deze zaak vorderden eiser en mede-eiseres schorsing van de executie van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin zij waren veroordeeld tot betaling van een openstaande schuld aan Rabobank en waarbij Rabobank werd toegestaan de woning uit hoofde van haar hypotheekrecht te executeren indien niet binnen zes maanden werd betaald.
De eisers stelden dat nieuwe feiten en omstandigheden, zoals een definitieve WIA-beschikking die volledige arbeidsongeschiktheid vaststelde, hulp van een maatschappelijke organisatie voor woningverbouwing en een voorgenomen onderbewindstelling, een noodtoestand zouden veroorzaken bij executie. Zij beriepen zich op misbruik van bevoegdheid door Rabobank.
De rechtbank oordeelde dat deze feiten geen nieuwe feiten zijn die niet al door het hof waren meegewogen. De plannen van de maatschappelijke organisatie waren onvoldoende concreet en de termijn voor onderhandse verkoop was al verstreken. De schrijnende gezinssituatie was door het hof meegewogen. Daarom is geen sprake van misbruik van bevoegdheid en is Rabobank gerechtigd het arrest uit te voeren.
De vorderingen van eisers werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank erkende de ingrijpende gevolgen voor het gezin, maar vond dat deze geen uitstel van executie rechtvaardigen.