Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 12 maart 2025; en
- de brief van 30 april 2025 van ASR.
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
1 oktober 2025;
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak vordert eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode oktober 2017 tot oktober 2020. ASR betwist dat eiser voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was en wijst uitkeringsrechten af. De rechtbank had in een tussenvonnis van 12 maart 2025 een deskundige willen benoemen om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen en had scenario's uitgewerkt voor mogelijke uitkomsten.
Partijen konden echter geen minnelijke regeling bereiken en zijn het eens dat het deskundigenonderzoek niet zinvol is, mede vanwege procesefficiëntie. De rechtbank overweegt dat tussentijds hoger beroep op het tussenvonnis mogelijk is, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging. Omdat partijen het tussenvonnis niet accepteren en het hoger beroep proceseconomisch wenselijk is, staat de rechtbank tussentijds hoger beroep toe.
De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol en verdere beslissingen worden aangehouden. Het vonnis is gewezen door rechter D. Wachter en uitgesproken op 14 mei 2025.
Uitkomst: Rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe tegen tussenvonnis over arbeidsongeschiktheid.