ECLI:NL:RBMNE:2025:2365

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
UTR 23/2730
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen niet tijdig beslissen op inzageverzoek

Eiser heeft op 19 oktober 2022 een verzoek ingediend bij het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht om inzage te verkrijgen in dossierstukken die ten grondslag lagen aan besluiten uit 2008, op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Omdat het college niet binnen de wettelijke termijn op het verzoek besliste, stelde eiser op 22 december 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank verklaarde dit beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk, waarna eiser verzet aantekende. Dit verzet werd gegrond verklaard, maar later verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Eiser deed hiertegen opnieuw verzet, dat bij de onderhavige uitspraak ongegrond werd verklaard.

Op 27 juni 2023 stelde eiser opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. De rechtbank heeft zonder zitting de zaak beoordeeld en geoordeeld dat het verzoek van eiser niet kan worden aangemerkt als een AVG-inzageverzoek. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen omdat het verzoek niet als een AVG-inzageverzoek kwalificeert.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, het college

(gemachtigde: mr. A.C.M. Kusters).

Inleiding

Eiser heeft het college op 19 oktober 2022 op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om alle dossierstukken die ten grondslag lagen aan alle besluiten in 2008.
Omdat het college niet op zijn verzoek besliste, heeft eiser op 22 december 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Bij uitspraak van 20 februari 2023 (UTR 22/5829) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daartegen verzet gedaan. Bij uitspraak van 27 juli 2023 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 oktober 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Tegen deze uitspraak heeft eiser opnieuw verzet gedaan. Dit verzet is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.
Op 27 juni 2023 heeft eiser (hangende het eerste verzet dus) opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek. Daarover gaat deze uitspraak.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

6. In haar uitspraak van vandaag op het verzet van eiser heeft de rechtbank geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, omdat het verzoek van eiser niet aangemerkt kan worden als een AVG-verzoek om inzage. Daarmee staat in rechte vast dat het verzoek van 19 oktober 2022 geen verzoek is om inzage in de zin van de AVG.
7. Omdat deze uitspraak over hetzelfde verzoek van eiser gaat, geldt voor dit beroep hetzelfde. De rechtbank is onbevoegd om daarvan kennis te nemen.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.