Eiser diende in september 2023 meerdere verzoeken in bij het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, waaronder toekenning van een gratificatie voor zijn 40-jarig ambtsjubileum en uitbetaling van salaris voor twee functies. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser beroepen in tegen het niet tijdig beslissen.
Het college betwistte dat er sprake was van een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde zonder zitting dat zij niet bevoegd is om van de beroepen kennis te nemen, omdat sinds 1 januari 2020 het bestuursorgaan geen publiekrechtelijke bevoegdheid meer heeft om besluiten te nemen over de rechtspositie van ambtenaren, als gevolg van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren.
De rechtbank verwees naar het overgangsrecht in artikel 16, tweede lid, Ambtenarenwet 2017, dat bepaalt dat bestuursrechtelijke procedures alleen gelden voor besluiten bekendgemaakt vóór 1 januari 2020. Aangezien de aanvragen van eiser na die datum zijn ingediend, is de burgerlijke rechter bevoegd. Eiser kan zich tot die rechter wenden. De rechtbank wees de beroepen af wegens onbevoegdheid en kende geen proceskosten toe.