Eiseres heeft gesteld dat gedaagde een bedrag van € 1.255,51 verschuldigd is voor de huur van verschillende auto's in de periode van 24 november 2022 tot en met 6 januari 2023. Gedaagde heeft een deel van de kosten betaald, maar niet het volledige bedrag.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de hoofdsom van € 1.255,51 verschuldigd is en dat gedaagde op 9 februari 2025 en 22 april 2025 betalingen heeft gedaan van respectievelijk € 856,50 en € 100,00. Deze betalingen zijn in mindering gebracht op de totale vordering, waarbij eerst de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn voldaan.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 188,33 zijn toegewezen omdat deze overeenkomen met het wettelijke tarief en een correcte aanmaning is gedaan. Daarnaast is de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 oktober 2024 toegewezen, rekening houdend met de gedane betalingen.
Na verrekening resteert een bedrag van € 612,88 dat gedaagde aan eiseres moet betalen. Tevens is gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 995,54. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks een eventueel hoger beroep.