ECLI:NL:RBMNE:2025:2374

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
11439469
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering huurauto's met betaling wettelijke rente en incassokosten

Eiseres heeft gesteld dat gedaagde een bedrag van € 1.255,51 verschuldigd is voor de huur van verschillende auto's in de periode van 24 november 2022 tot en met 6 januari 2023. Gedaagde heeft een deel van de kosten betaald, maar niet het volledige bedrag.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de hoofdsom van € 1.255,51 verschuldigd is en dat gedaagde op 9 februari 2025 en 22 april 2025 betalingen heeft gedaan van respectievelijk € 856,50 en € 100,00. Deze betalingen zijn in mindering gebracht op de totale vordering, waarbij eerst de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn voldaan.

De buitengerechtelijke incassokosten van € 188,33 zijn toegewezen omdat deze overeenkomen met het wettelijke tarief en een correcte aanmaning is gedaan. Daarnaast is de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 oktober 2024 toegewezen, rekening houdend met de gedane betalingen.

Na verrekening resteert een bedrag van € 612,88 dat gedaagde aan eiseres moet betalen. Tevens is gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 995,54. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks een eventueel hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 612,88 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11439469 \ AC EXPL 24-3028 WMB/61313
Vonnis van 21 mei 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 22 oktober 2024 met producties;
  • het herstelexploot van 19 november 2024;
  • de e-mail van [gedaagde] van 10 februari 2025, aan te merken als conclusie van antwoord;
  • de brief van [eiseres] met aanvullende producties van 7 mei 2025;
  • de mondelinge behandeling van 14 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Namens [eiseres] is de heer [A] , incassomedewerker van Mariënbergh Incassoservices B.V., op de zitting verschenen. [gedaagde] is niet verschenen.
1.3.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] wil dat [gedaagde] haar een bedrag van € 1.255,51 betaalt, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, omdat [gedaagde] verschillende auto’s van haar heeft gehuurd in de periode van 24 november 2022 tot en met 6 januari 2023. [gedaagde] heeft een deel van de kosten betaald. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiseres] voor het overige toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

3.1.
[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] een bedrag van € 1.255,51 aan haar moest betalen. De kantonrechter stelt daarom vast dat [gedaagde] dit bedrag moest betalen. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] op 9 februari 2025 een bedrag van € 856,50 en op 22 april 2025 een bedrag van € 100,00 aan [eiseres] heeft betaald. Aangezien die betalingen pas na het starten van deze procedure zijn gedaan, strekken die in de eerste plaats tot afbetaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de verschenen wettelijke rente over de hoofdsom.
3.2.
[eiseres] heeft een bedrag van € 188,33 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Omdat dat bedrag aansluit bij het tarief uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijk incassokosten en [eiseres] een correcte 14-dagenbrief aan [gedaagde] heeft gestuurd, kan dat bedrag worden toegewezen. Daarnaast kan het gevorderde bedrag van € 125,54 aan verschenen rente tot en met 8 oktober 2024 worden toegewezen. Ook de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024 kan worden toegewezen, zoals gevorderd, waarbij wel rekening gehouden dient te worden met de nadien gedane betalingen.
3.3.
De hoofdsom vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente komt daarmee op een totaal van € 1.569,38. Verminderd met de afbetalingen van in totaal € 956,50, blijft daar een bedrag van € 612,88 van over. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.
3.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
372,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
995,54
3.5.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 612,88,
4.2.
veroordeelt Mamo tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 1.255,51, met ingang van 9 oktober 2024, rekening houdend met de nadien gedane betalingen, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 995,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.