Op 20 januari 2025 verleende de rechtbank een zorgmachtiging aan betrokkene, inclusief het toedienen van medicatie als verplichte zorg tot 20 juli 2025. De instelling gaf op 28 januari 2025 een schriftelijke aanzegging voor verplichte medicatie. Betrokkene diende hiertegen op 11 februari 2025 een klacht in bij de klachtencommissie, die deze op 25 februari 2025 ongegrond verklaarde.
Betrokkene vroeg vervolgens aan de rechtbank om een beslissing over de klacht. Aanvankelijk betwistte hij een stoornis te hebben, maar handhaafde dit niet tijdens de zitting. De rechtbank bevestigde het oordeel van medisch deskundigen dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis en andere trauma-gerelateerde stoornissen. De kernvraag was of gedwongen medicatie in depotvorm proportioneel en noodzakelijk is.
De rechtbank oordeelde dat de medicatie nodig is om ernstig nadeel voor betrokkene en anderen af te wenden, gezien grensoverschrijdend, agressief en suïcidaal gedrag. Orale medicatie is onbetrouwbaar vanwege therapieontrouw. De medicatie in depotvorm is effectief, veilig en de minst ingrijpende passende maatregel. Bijwerkingen zijn aanwezig maar beheersbaar. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.