In deze civiele procedure vordert eiser, handelend onder een handelsnaam, betaling van een factuur van €3.500 voor stucwerkzaamheden die in mei 2024 zijn uitgevoerd. Gedaagde, een besloten vennootschap, heeft de factuur onbetaald gelaten en erkent de vordering, maar stelt als verweer dat de werknemer van eiser geen werkvergunning had en dat het werk niet goed zou zijn uitgevoerd.
De kantonrechter oordeelt dat het ontbreken van een werkvergunning geen betalingsbevrijding oplevert en dat het aan gedaagde was om vooraf te onderzoeken of eiser over een vergunning beschikte. Ook het betoog dat het werk gebrekkig zou zijn, wordt verworpen omdat gedaagde eiser niet op de gebreken heeft gewezen en hem geen gelegenheid heeft gegeven deze te herstellen.
De rechtbank wijst de hoofdsom toe, vermeerderd met wettelijke handelsrente over de periode van 24 juni tot en met 7 oktober 2024 en daarna vanaf 8 oktober 2024 tot betaling. Tevens wordt een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van €475 toegekend, conform het toepasselijke Besluit. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.040,22 en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.