Uitspraak
1.De procedure
- de brief van 24 maart 2025 van [eiser] met productie 9 en 10,
Rechtbank Midden-Nederland
In deze kort geding procedure heeft gedaagde betaling gevorderd van achterstallige termijnen en toekomstige maandtermijnen op basis van een vermeende depotovereenkomst en terugbetalingsregeling met eiser. Bij verstekvonnis waren deze vorderingen toegewezen. Eiser stelde verzet in en voerde aan dat partijen een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten die hem finale kwijting verleende.
De kantonrechter oordeelde dat het verzet tijdig en ontvankelijk was ingesteld. Er was sprake van een spoedeisend belang van gedaagde, maar de feiten en omstandigheden waren onvoldoende aannemelijk om de vorderingen in kort geding toe te wijzen. Er bestond onduidelijkheid over het bestaan en de inhoud van de depotovereenkomst, de afbetalingsregeling en vooral de vaststellingsovereenkomst, mede omdat de ondertekening door gemachtigde echtgenoot betwist werd.
De kantonrechter stelde vast dat nader onderzoek in een bodemprocedure nodig is om de rechtsverhouding te verduidelijken. Daarom werden de vorderingen van gedaagde afgewezen, het beslag opgeheven en het verstekvonnis vernietigd. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl eiser een beperkte vergoeding kreeg wegens eigen procederen in persoon.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van gedaagde afgewezen.