Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- een niet betekende dagvaarding met bijlagen, op 26 maart ontvangen door de rechtbank.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze kort gedingprocedure vordert eiser terugbetaling van een bedrag van €20.875 dat zij eind 2022 in depot gaf bij gedaagde partijen. Eiser stelt dat gedaagden het depot niet hebben terugbetaald en dat sprake is van verduistering en ongerechtvaardigde verrijking.
Gedaagden voeren aan dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin zij een bedrag van €12.000 hebben betaald en dat eiser niets meer te vorderen heeft. Eiser betwist de geldigheid van deze overeenkomst en stelt dat haar gemachtigde niet bevoegd was deze te tekenen.
De kantonrechter oordeelt dat er uiteenlopende feiten en omstandigheden zijn die nader onderzoek vereisen, wat niet mogelijk is in kort geding. Bovendien is onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van het depotgeld wordt afgewezen wegens noodzaak van nader onderzoek en onvoldoende aannemelijkheid in kort geding.