Eiseres vordert in kort geding betaling van €14.990 van gedaagde, stellende dat zij in 2022 een bedrag van $50.000 tijdelijk in depot gaf bij de vader van gedaagde, dat op de rekening van gedaagde terechtkwam en niet werd terugbetaald. Zij stelt dat gedaagde zich schuldig maakte aan heling of ongerechtvaardigde verrijking door privébetalingen uit het depot te doen.
De kantonrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Eiseres heeft voldoende spoedeisend belang, maar de feiten en omstandigheden zijn onvoldoende aannemelijk om de vordering in kort geding toe te wijzen. Gedaagde ontkent de meeste betalingen en stelt dat hij niet in Nederland was toen deze plaatsvonden. Ook is niet vastgesteld dat hij op de hoogte was van afspraken over het depotbedrag.
De kantonrechter concludeert dat de zaak ongeschikt is voor kort geding en wijst de vordering af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van €50. De beslissing is gewezen door mr. F.H. Charbon en uitgesproken op 10 april 2025.