Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 22c Wetboek van StrafrechtArt. 22d Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling bestuurder voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met dodelijk verkeersongeval
Op 11 juli 2024 reed verdachte met zijn bedrijfsauto over de provinciale weg N212 te Kamerik, waarbij hij over een dubbele doorgetrokken streep reed en op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer terechtkwam. Dit leidde tot een frontale botsing met een personenauto, waarbij twee inzittenden ter plaatse overleden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994. Uit onderzoek bleek dat verdachte kort voor het ongeval zijn telefoon gebruikte, onder meer voor een uitgaand telefoongesprek en het activeren van Google Maps, wat afleiding veroorzaakte.
De verdediging voerde aan dat verdachte een hoestbui kreeg en kort bewusteloos was, maar de rechtbank achtte deze verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank vond het rijgedrag niet roekeloos of zeer onvoorzichtig, maar wel aanmerkelijk onvoorzichtig.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van één jaar, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden, en de persoon van verdachte. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege de lagere gradatie van schuld.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van één jaar wegens aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag met dodelijk verkeersongeval.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.315839.24 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1981] in [geboorteplaats] ,
adres: [adres] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de advocaat van verdachte: mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht;
- de officier van justitie: mr. A.P. Altena;
- de meegebrachte getuige: [getuige] ;
- de nabestaanden van de slachtoffers: de heer [nabestaande 1] , mevrouw [nabestaande 2] en mevrouw [nabestaande 3] .
2.TENLASTELEGGING
Samengevat beschuldigt het Openbaar Ministerie de verdachte ervan dat hij op 11 juli 2024 in Kamerik:
primair:
zich als bestuurder van een auto roekeloos, of in elk geval zeer of aanmerkelijk
onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen, door onvoldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden, zijn auto onvoldoende onder controle te houden, naar links te rijden over een dubbele doorgetrokken streep en geheel op de andere weghelft terecht te komen,
waardoor een verkeersongeval (frontale botsing) heeft
plaatsgevonden met de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg;
subsidiair:
als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd door de hiervoor genoemde gedragingen.
De volledige tekst van de beschuldiging (tenlastelegging) staat in de bijlage bij dit vonnis.
3.VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld voor het wat hem primair ten laste is gelegd. Voor de mate van schuld van verdachte aan het verkeersongeluk gaat de officier van justitie uit van de categorie ‘zeer onvoorzichtig rijgedrag’.
De standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 4.3.2.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
De standpunten van de raadsman worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 4.3.2.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van deze zaak, merkt zij op dat een zaak als deze op geen enkele manier een goede uitkomst kan hebben. Er heeft een tragisch verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn overleden. Dat heeft niemand gewild, ook verdachte niet. Het intense verdriet van de nabestaanden is zeer invoelbaar. De kinderen van de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] hebben dat in hun aangrijpende spreekrechtverklaringen duidelijk gemaakt.
De rechtbank moet op deze plaats de vragen beantwoorden of verdachte strafrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt en hoe zijn rijgedrag juridisch gekwalificeerd moet worden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, in die zin dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn overleden. De rechtbank merkt het rijgedrag van verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
Hieronder, na de bewijsmiddelen, zal de rechtbank nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op het standpunt van de officier van justitie en op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.
Bij of kort na het ongeval zijn onderstaande personen overleden.
[slachtoffer 1] , bestuurder van personenauto [kenteken]
[slachtoffer 2] , passagier van personenauto [kenteken] [4]
Een proces-verbaal verkeerongevalsanalyse, genummerd 2024219787-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 11 juli 2024 heeft op de Ingenieur Enschedeweg (N212) te Kamerik een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een bedrijfsauto en een personenauto betrokken waren.
Ter hoogte van hectometerpaal 6,7 is de bedrijfsauto de dubbele doorgetrokken middenstreep overschreden en is daarbij op de weghelft van de personenauto terechtgekomen. [5] Beide voertuigen hebben elkaar frontaal geraakt. De inzittenden van de personenauto zijn ten gevolge van het verkeersongeval overleden. [6]
Het verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte van de Ingenieur Enschedeweg. De rijbaan was door middel van twee doorgetrokken witte middenstrepen
verdeeld in twee rijstroken. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid
Conclusie: Niet-natuurlijk overlijden van autopassagier ten gevolge van een frontale
botsing tussen bakwagen en auto op 11-07-2024 te Kamerik. [10]
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2024219787-28, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De data van de telefoon van verdachte [verdachte] werd veiliggesteld en inzichtelijk gemaakt. [11]
Hierop onderzocht ik de tijdlijn van gebeurtenissen die door de telefoon werden
geregistreerd.
Ik zag in chronologie de navolgende handelingen:
Gebruik van Google maps van 11:51:07 tot en met 12:01:58.
12:01:59 uur bleek Facebook naar de achtergrond gebracht, "splashboard snapshot''
12:02:02 tot 12:02:10 was Spotify in beeld. Op de "splashboard snapshot''* was
te zien dat de muziek kennelijk werd afgespeeld via Bluetooth naar een apparaat genaamd "CAR-KITWn".
12:02:10 tot 12:02:32 was Google Maps in beeld.
12:02:32 tot 12:02:40 was de telefoon functie in gebruik.
12:02:40 tot 12:02:46 was de in call service in gebruik. Dit betekent dat er werd gebeld met het toestel.
12:02:40 werd er een uitgaand telefoon gesprek gevoerd met "Lieffie" met nummer
[telefoonnummer] voor de duur van 1 minuut en 8 seconden, tot 12:03:48 uur.
12:02:46 tot 12:04:39 werd Google Maps weer op het scherm actief [12]
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2024219787-33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb de GPS triplog onderzocht. Tevens zag ik dat er vanaf het tijdstip 12:02:57 uur tot en met 12:07:58 uur meer dan 300 GPS fixes waren op het zelfde punt. Dit betekent dat op dat moment, in die periode, de auto stilstond. Ook betekent dit dat dit dus hoogstwaarschijnlijk de plek van aanrijding is en dat deze dus vóór 12:02:57 uur heeft plaats gevonden. [13]
De navigatie gebeurde echter kennelijk vanaf de iPhone zelf. [14]
4.3.2
Bewijsoverweging
Het verkeersongeval op 11 juli 2024
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
Verdachte reed op 11 juli 2024 in zijn bedrijfsauto over de provinciale weg N212 (de Ingenieur Enschedeweg), waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold. De rijbaan van de N212 was verdeeld in twee rijstroken voor het verkeer in beide richtingen en deze werden van elkaar gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep. Ter hoogte van hectometerpaal 6.7 is verdachte met zijn bedrijfsauto over de doorgetrokken streep gereden en is hij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. De bedrijfsauto van verdachte en de personenauto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden, zijn vervolgens frontaal op elkaar gebotst. Meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn als gevolg van dat verkeersongeval ter plaatse overleden.
Schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro (WVW)
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte schuld in strafrechtelijke zin (artikel 6) heeft gehad aan het ongeval. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën van schuld, namelijk (in oplopende mate) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, zeer onvoorzichtig of onoplettend, en roekeloos rijgedrag. Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld aan het ongeval heeft moet volgens de rechtspraak van de Hoge Raad worden gekeken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval.
De rechtbank benadrukt dat - hoe begrijpelijk het ook is dat vanuit de nabestaanden gekeken wordt naar de fatale gevolgen van het verkeersgedrag van verdachte - uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hiervoor bedoelde zin, of dat voor bepaald gedrag een hogere gradatie van schuld van toepassing is, omdat de gevolgen daarvan heel groot zijn. Kortom: niet iedere verkeersovertreding of onvoorzichtigheid, hoe ernstig de gevolgen daarvan ook zijn, betekent dat iemand schuld heeft in de zin van artikel 6 WVWPro. Om hiervan te kunnen spreken, moet tenminste sprake zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het gaat niet om lichte onachtzaamheid, maar grove onachtzaamheid. Een kort moment van onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld op te leveren.
Het rijgedrag van verdachte was aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro en dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.
De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in het algemeen voortdurende voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder eist. In de verkeerssituatie in deze zaak mocht daarnaast extra voorzichtigheid van verdachte worden verwacht. Verdachte reed namelijk over een provinciale weg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold en waarbij de rijstroken voor het tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar gescheiden waren. Dat het in deze wegsituatie van belang is dat weggebruikers extra oplettend en voorzichtig zijn, wordt benadrukt door de dubbele doorgetrokken streep in het midden van de weg, die erop wijst dat niet mag worden ingehaald.
Verdachte heeft echter niet, althans onvoldoende, zijn aandacht op de weg gehouden en is daardoor op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen.
De politie heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van de telefoon van verdachte direct vóór het ongeval, dat naar schatting kort voor 12:02:57 uur heeft plaatsgevonden. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat om 12:02:40 uur met de telefoon van verdachte een uitgaand telefoongesprek werd gestart naar zijn vrouw voor de duur van 1 minuut en 8 seconden en dat om 12:02:46 Google Maps weer actief werd op het scherm. Overigens heeft de vrouw van verdachte op de zitting als getuige verklaard dat zij voorafgaand aan het ongeval niet door verdachte is gebeld, maar pas daarna. De rechtbank gaat echter uit van de uitkomst van de onderzoeken naar de telefoon van verdachte.
De rechtbank stelt vast dat op de telefoon van verdachte, die zich in een houder op het dashboard bevond, op momenten kort voor het ongeluk verschillende applicaties actief zijn geweest. Niet van elke activiteit kan echter worden achterhaald of hier actief handelen van verdachte voor nodig was, of hij daarvoor handmatig zijn telefoon heeft moeten bedienen en of, als dat wel zo was, zijn handelen bestond uit meer dan een enkele tik om een andere applicatie, zoals Google Maps, op het scherm naar voren te halen.
De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte gelet op het voorgaande aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Bij de in aanmerking te nemen omstandigheden van het geval acht de rechtbank de verkeerssituatie van belang zoals hiervoor omschreven, waarin van hem extra voorzichtigheid mocht worden verwacht, en wat hierboven is omschreven over het gebruik van de telefoon van verdachte kort voor het ongeval. Ondanks de verkeerssituatie is de telefoon van verdachte echter in gebruik geweest vlak voor het ongeval en heeft verdachte gedurende een langere tijd, in ieder geval meerdere seconden, zijn blik en aandacht niet op de weg gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte even door zijn telefoon was afgeleid. Zodoende is hij op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen.
De rechtbank vindt niet dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld), zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht. Om vast te kunnen stellen dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld), is meer nodig dan wat er in deze zaak is gebeurd. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat voor ernstige schuld in het algemeen sprake moet zijn van verkeersovertredingen die met een (grotere mate van) bewustheid zijn begaan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan inhalen op een gevaarlijke plek, door rood rijden of (veel) te hard rijden. Ook kan het gaan om veelvuldig of handmatig gebruik maken van een telefoon, zoals het versturen van tekstberichten tijdens het rijden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken die de officier van justitie heeft genoemd ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag (een vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 augustus 2023 en een vonnis van de rechtbank Overijssel van 2 december 2024). In dit geval kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte in dezelfde mate als in die andere zaken bezig is geweest met zijn telefoon. Zijn telefoon zat in een houder en er kan niet bewezen worden dat hij handmatig iets heeft gedaan met zijn telefoon zo kort voor het ongeval dat het ongeval daardoor veroorzaakt moet zijn. Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraken, is in deze zaak daarom geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag. De rechtbank zal verdachte daarom niet alleen vrijspreken van roekeloos rijgedrag, maar ook van zeer onvoorzichtig rijgedrag.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in strafrechtelijke zin helemaal geen verwijt kan worden gemaakt en dus geen schuld heeft gehad aan het ongeval. Verdachte heeft verklaard dat hij een hoestbui kreeg kort voor het ongeval, waarna hij kort zijn bewustzijn verloor en sterretjes zag. Volgens de verdediging is verdachte daardoor ongewild en onbewust een enkel moment de macht over het stuur verloren en heeft hij daardoor niet geweten wat er is gebeurd. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte dat hij een hoestbui heeft gehad ongeloofwaardig. Verdachte heeft weliswaar van meet af aan verklaard dat hij een hoestbui achter het stuur had gehad, maar zijn verklaring hierover is in de loop van de procedure veranderd. Eerst verklaarde hij alleen over een hoestbui, maar pas later voegde hij daaraan toe dat hij zijn bewustzijn verloor en sterretjes zag. Als verdachte voorafgaand aan het ongeluk inderdaad buiten bewustzijn was geweest, zou het voor de hand liggen dat hij daarover van meet af aan had verklaard. Verder is de verklaring van verdachte hierover weinig gedetailleerd, wat ook afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. En daar komt bij dat verdachte blijft verklaren dat hij zijn telefoon niet heeft gebruikt en niet heeft gebeld, terwijl uit het onderzoek naar zijn telefoon blijkt dat zijn telefoon kort voor het ongeval wel is gebruikt en dat er ook mee gebeld is. Het voorgaande maakt dat de rechtbank aan dit verweer voorbijgaat.
Conclusie: verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVWPro
Uit het voorgaande volgt dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, in die zin dat bewezen kan worden dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
5.BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 11 juli 2024 te Kamerik, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, N212, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,
- niet voortdurend en niet voldoende zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden en
- daarbij zijn motorrijtuig onvoldoende onder controle te houden en
- vervolgens naar links te rijden en daarbij een dubbele doorgetrokken streep te overschrijden en
- vervolgens zich met zijn motorrijtuig geheel of gedeeltelijk links van die dubbele doorgetrokken streep - welke strepen op voornoemde weg waren aangebracht tussen de rijbanen, met verkeer in beide richtingen – te bevinden en daarbij niet aan zijn verplichting te voldoen om zoveel mogelijk rechts te houden en
- vervolgens - geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend
verkeer bestemde rijbaan - tegen een op die rijbaan tegemoetkomend
motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Toyota, te botsen,
waardoor anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , werden gedood.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 6 maanden;
- een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaar.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer over de strafmaat gevoerd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval met dodelijke afloop door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Verdachte heeft met de bedrijfsauto die hij bestuurde een dubbele doorgetrokken streep overschreden en is op de andere weghelft terechtgekomen. Vervolgens zijn de bedrijfsauto van verdachte en de personenauto waarin de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] reden frontaal op elkaar gebotst. De heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] zijn als gevolg van dat verkeersongeval ter plaatse overleden.
De drie kinderen van de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] hebben ter terechtzitting op indringende wijze naar voren gebracht hoe groot de verslagenheid en het verdriet is vanwege het plotselinge verlies van hun ouders. Uit de slachtofferverklaringen die op de zitting zijn voorgelezen, blijkt dat het ongeluk veel impact op de nabestaanden en hun dierbaren heeft gehad.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het leven van de nabestaanden voorgoed is veranderd. Met dit gemis zullen zij de rest van hun leven geconfronteerd worden. Dat de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] geliefd waren en dagelijks gemist worden, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel andere familieleden en vrienden bij de zitting. Ook hun verdriet is invoelbaar.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 18 februari 2025. Daarin staat dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een verkeersdelict. De rechtbank neemt dit niet in het voordeel of nadeel van verdachte mee.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank vindt het belangrijk te benadrukken dat geen straf bestaat die de vreselijke gevolgen van dit verkeersongeval ongedaan kan maken en die in verhouding kan staan tot het verlies van de nabestaanden.
Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de ernst van de gedragingen van de verdachte en op uitspraken in vergelijkbare zaken. Er wordt bij de strafoplegging gekeken naar de (in dit geval desastreuze) gevolgen van het ongeval, maar de straf moet ook in verhouding blijven met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld van verdachte aan het ongeval. In dit geval komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring (aanmerkelijke schuld) dan de officier van justitie (ernstige schuld), waardoor zij aan verdachte ook een andere en lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie geëist.
Om te bevorderen dat rechtbanken en gerechtshoven voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen opleggen, zijn landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). De rechtbank sluit aan bij de oriëntatiepunten uit de categorie ‘aanmerkelijke schuld’: een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar. De rechtbank ziet in deze zaak geen reden om een andere straf op te leggen. Ook het advies van de reclassering geeft daartoe geen aanleiding. Op basis van de ernst van het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt en de gevolgen daarvan is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 240 uur een passende straf is. Voor de bescherming van de verkeersveiligheid vindt de rechtbank het daarnaast nodig aan verdachte een rijontzegging van 1 jaar op te leggen. De rechtbank is zich ervan bewust dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, maar vindt de verkeersveiligheid een zwaarwegender belang.
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10.BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
- ontzegtverdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. S. Ourahma en J.B. Duinkerken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 11 juli 2024 te Kamerik, gemeente Woerden, althans in
Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,
daarmede rijdende over de weg, N212, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn
schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2024219787, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 132 (in het dossier opgenomen onder ‘Einddossier’) en pagina 1 tot en met 8 (in het dossier opgenomen onder ‘aanvulling einddossier’).