ECLI:NL:RBMNE:2025:2515

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
C/16/581638 / FL RK 24-968
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:277 lid 1 BWArtikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van het ouderlijk gezag over minderjarige na beëindiging voogdij

De moeder verzoekt de rechtbank om het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind te herstellen, nadat dit eerder was beëindigd en een stichting tot voogd was benoemd.

De rechtbank constateert dat het kind al ongeveer twee jaar weer bij de moeder woont en dat de moeder feitelijk het gezag uitoefent. Het kind heeft een stabiele thuissituatie, gaat goed op school, onderhoudt sociale contacten en heeft een bijbaantje. De moeder heeft een ondersteunend netwerk en toont bereidheid om dit te blijven benutten.

De voogdijinstelling en de Raad voor de Kinderbescherming steunen het verzoek. De rechtbank vertrouwt erop dat de moeder in staat is de belangrijke beslissingen over het kind te nemen en verklaart het herstel van het gezag uitvoerbaar bij voorraad.

De uitspraak is mondeling gedaan op 17 april 2025 door een meervoudige kamer van drie rechters. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank herstelt het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/581638 / FL RK 24-968
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdens de zitting van de meervoudige kamer op 17 april 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R.W. de Gruijl,
tegen
William Schrikker stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek gaat over het minderjarige kind van de moeder:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] .
1.2.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2021 het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [minderjarige] . Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft deze beslissing van de rechtbank bekrachtigd bij de beschikking van 18 november 2024.
1.3.
De moeder verzoekt om haar ouderlijk gezag over [minderjarige] te herstellen.
1.4.
Het verzoek is door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 17 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • [A] , een vertegenwoordiger van de GI;
  • [B] en [C] , vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.5.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige] heeft daarover op 17 april 2025 met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken.
1.6.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden waarop deze is gebaseerd zijn hieronder weergegeven.

2.De beslissing

De rechtbank:
2.1.
herstelt
[de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1971, in het gezag over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [woonplaats] ;
2.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

3.De gronden van de beslissing

De moeder neemt voortaan weer de belangrijke beslissingen over [minderjarige]
3.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om haar gezag over [minderjarige] te herstellen toe op grond van artikel 1:277, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). [minderjarige] woont al ongeveer twee jaar weer thuis bij haar moeder. De moeder oefent feitelijk al die tijd al het gezag over [minderjarige] uit. De rechtbank ziet dat de moeder het beste met [minderjarige] voor heeft en haar best doet om goede beslissingen te nemen. Dat dit haar de afgelopen tijd gelukt is, blijkt uit het feit dat het goed gaat met [minderjarige] . Thuis is er meer rust gekomen en [minderjarige] heeft een hechte band met haar familie. Ook gaat het goed op school en zij heeft veel vriendinnen met wie zij in haar vrije tijd leuke dingen doet en een bijbaantje. Wat verder meeweegt in het oordeel van de rechtbank is dat de moeder een netwerk heeft opgebouwd waar zij op kan terugvallen als ze tegen problemen aanloopt. Opvoeden is niet altijd makkelijk en het is belangrijk dat de moeder ergens terecht kan met haar vragen. Gebleken is dat de moeder dit doet en zij heeft tijdens de zitting toegezegd dit te blijven doen. De GI en de Raad vinden dat het verzoek kan worden toegewezen. De moeder zal voortaan weer de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen en gelet op het bovengenoemde heeft de rechtbank daar vertrouwen in.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.2.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als iemand in hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025 door mr. M.M. Janssen-Witteveen (voorzitter), mr. M. Weistra en mr. J.M. Atema, in aanwezigheid van mr. F.M. de Hart, griffier, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal is verzonden op 1 mei 2025.
Tegen deze beslissing kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep
worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.