ECLI:NL:RBMNE:2025:2674

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
11470568 \ MC EXPL 24-8508
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 238 lid 1 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eiser wegens ontbreken contractspartij bij koopovereenkomst

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een bedrag voor overgenomen voorraden van gedaagde, die sinds december 2023 franchisenemer is van een onderneming. Eiser stelt dat hij de franchiseonderneming aan gedaagde heeft verkocht en dat gedaagde nog € 4.383,58 met rente en kosten moet betalen. Gedaagde betwist dit en voert aan dat eiser geen contractpartij is en dat de factuur moet worden verrekend met schade aan keukenapparatuur.

De kantonrechter beoordeelt dat de koopovereenkomst is gesloten tussen gedaagde en de broer van eiser, de heer A, die als verkoper is vermeld en de overeenkomst heeft ondertekend. Eiser wordt nergens in de overeenkomst genoemd en is dus geen contractpartij. Hierdoor kan eiser zich niet op de overeenkomst beroepen en is hij niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

De overige standpunten van partijen blijven onbesproken. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van € 100,- wegens de aanwezigheid van gedaagde zonder gemachtigde, met toekenning van wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.E. Garvelink en op 28 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen partij is bij de koopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11470568 \ MC EXPL 24-8508
Vonnis van 28 mei 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2024 met 5 producties;
- de mondelinge conclusie van antwoord tijdens de rolzitting op 8 januari 2025;
- de akte met producties van [gedaagde] ;
- het aanvullend antwoord met 3 producties van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 24 april 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de zitting op 24 april 2025 was [gedaagde] aanwezig. [eiser] is niet naar de zitting gekomen.
1.3.
De kantonrechter heeft aan het einde van de zitting bepaald dat hij vandaag schriftelijk uitspraak zal doen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] is sinds december 2023 franchisenemer van [naam] in [plaatsnaam] - [.] . Volgens [eiser] heeft hij de franchiseonderneming aan [gedaagde] verkocht en moet [gedaagde] hem nog € 4.383,58 met rente en kosten betalen voor de overgenomen voorraden (waaronder keukenapparatuur). [gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij voert onder andere aan dat [eiser] geen contractpartij is en dat de factuur moet worden verrekend met schade die hij heeft geleden doordat de keukenapparatuur gerepareerd of vervangen moest worden. [gedaagde] krijgt van de kantonrechter gelijk. [eiser] is nietontvankelijk in zijn vorderingen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.

3.De beoordeling

[eiser] is niet-ontvankelijk
3.1.
[eiser] heeft de schriftelijke koopovereenkomst ingediend. In de overeenkomst staat:
“DE ONDERGETEKENDEN:

1.De heer [A] woonachtig (…), hierna te noemen “verkoper”

en

2.De heer [gedaagde] woonachtig (…), hierna te noemen “koper””.

De koopovereenkomst is door de heer [A] (de broer van [eiser] ) ondertekend. [gedaagde] heeft de onderneming dus gekocht van de heer [A] . [eiser] wordt nergens in de overeenkomst genoemd. Hij is geen contractpartij. Dus hij kan zich niet op de overeenkomst beroepen. Dat betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. [gedaagde] hoeft niets aan [eiser] te betalen. De overige standpunten van partijen kunnen verder onbesproken blijven.
Proceskosten
3.2.
[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, komt hij op grond van artikel 238 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanmerking voor een bedrag voor reis- en verblijfkosten en noodzakelijke verletkosten. De kantonrechter begroot die kosten, gebaseerd op de aanwezigheid bij de rolzitting en bij de mondelinge behandeling, op € 100,-.
3.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4.
verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.