Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent Gedrag met politiegegevens (VOG P) voor de functie van inrichtingsbeveiliger bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag afgewezen op grond van eerdere justitiële veroordelingen van eiser, waaronder diverse diefstallen en een drugsgerelateerde straf. De minister heeft het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2025 behandeld en beoordeelt of de minister terecht de aanvraag heeft geweigerd. Volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) wordt een VOG P geweigerd als uit justitiële gegevens blijkt dat herhaling van strafbare feiten een behoorlijke taakuitoefening in de weg staat. De minister heeft zowel een objectief als subjectief criterium toegepast en vastgesteld dat het objectieve criterium tot weigering leidt.
Eiser betoogt dat zijn strafbare feiten licht van aard zijn, dat hij geen risico vormt voor het stelen van beveiligde informatie, en dat hij een positieve persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht het risico voor de samenleving zwaarder heeft gewogen dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG P. De relatief korte periode sinds de laatste veroordeling en de aard van de functie vereisen een hoge mate van betrouwbaarheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de weigering van de VOG P in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.