ECLI:NL:RBMNE:2025:2795

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
10894505 UC EXPL 24-581
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 RvArt. 249 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afstand van instantie en proceskostenveroordeling na terugtrekking vordering

In deze civiele procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland heeft eiser op 20 mei 2025 afstand gedaan van zijn vordering en verzocht om doorhaling van de procedure zonder inhoudelijke beoordeling. Gedaagde verzette zich tegen deze doorhaling en vorderde afwijzing van de eis met toekenning van verhoogde proceskosten wegens vermeend misbruik van procesrecht.

De kantonrechter oordeelde dat afstand van instantie en doorhaling van de procedure niet eenzijdig kunnen plaatsvinden nadat de wederpartij heeft geconcludeerd. Omdat eiser geen beslissing meer wenste over zijn vordering, bestond er geen geschil meer behalve over de proceskosten. De kosten die gedaagde maakte waren het gevolg van het aanhangig maken van de vordering door eiser, die deze kosten nodeloos had veroorzaakt.

Er werden geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigden. De proceskosten werden begroot op €1.221,00, bestaande uit salaris gemachtigde en nakosten. Eiser werd veroordeeld tot betaling van deze kosten en de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde na afstand van vordering en doorhaling procedure.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10894505 \ UC EXPL 24-581
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Aankoopclaim.nl B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. al Mansouri.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 12 januari 2024 met 15 producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met 19 producties,
- de akte aanvullend stuk van [eiser] ,
- de akte overlegging producties van [gedaagde] met daarbij de aanvullende producties 20 en 21,
- de conclusie van repliek van [eiser] met daarbij 7 aanvullende producties,
- de conclusie van dupliek van [gedaagde] met daarbij de aanvullende producties 22 tot en met 29,
- de akte uitlating aanvullende producties in de conclusie van dupliek van [eiser] ,
- de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] met daarbij de aanvullende producties 30 tot en met 32.
1.2.
Op 20 mei 2025 heeft [eiser] laten weten afstand te doen van instantie als bedoeld in artikel 246 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hij heeft toegelicht dat hij afzag van verdere voortzetting van de procedure en dat hij zijn vordering niet langer handhaafde. Hij heeft verzocht om doorhaling van de procedure zonder inhoudelijke beoordeling van de vordering, met compensatie van de kosten.
1.3.
[gedaagde] heeft zich verzet tegen doorhaling, omdat zij kosten heeft moeten maken om zich tegen de vordering te verweren. Zij heeft de kantonrechter verzocht om de vordering van [eiser] af te wijzen, met toewijzing van de bij conclusie van antwoord verzochte verhoogde proceskostenveroordeling, inhoudend de toekenning van een hoger tarief dan gebruikelijk (tarief IV in plaats van tarief III), in combinatie met een verdubbeling van het aantal toe te kennen punten. Volgens [gedaagde] is dit geïndiceerd omdat [eiser] onwaarheden zou hebben gesteld over de totstandkoming van de in geschil zijnde overeenkomst. Ook zou feitelijk niet [eiser] maar zijn gemachtigde de wederpartij van [gedaagde] zijn.
1.4.
De mondelinge behandeling, die was gepland op 23 mei 2025, heeft geen doorgang gevonden. In plaats daarvan volgt nu dit vonnis.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] gebruikt de termen ‘afstand van instantie’ en ‘doorhaling van de procedure’ door elkaar. Afstand van instantie, als bedoeld in artikel 249 Rv Pro, kan niet eenzijdig als de wederpartij al heeft geconcludeerd voor antwoord. Doorhaling, als bedoeld in artikel 246 Rv Pro, kan evenmin eenzijdig, zo volgt ook uit artikel 6.2 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Wat daar verder ook van zij, uit zijn bericht blijkt duidelijk dat [eiser] geen beslissing meer wenst op zijn vordering, zodat daarover tussen partijen dus geen geschil meer bestaat, behalve ten aanzien van de proceskosten.
2.2.
De proceskosten van [gedaagde] zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van de vordering door [eiser] . Omdat hij daarop inmiddels geen beslissing meer wenst heeft hij deze kosten nodeloos veroorzaakt. Daarom moet hij de kosten van [gedaagde] vergoeden.
2.3.
De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding dan een vergoeding op basis van het gebruikelijke forfaitaire tarief. Een hogere vergoeding is denkbaar in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, maar daarvan is in deze procedure (waarin partijen van mening verschillen over de vraag of de in geschil zijnde overeenkomst al dan niet kwalificeert als een overeenkomst op afstand en over de rol van [eiser(-s)] gemachtigde) niet gebleken.
2.4.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 1.221,00, bestaande uit € 1.086,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 543,00) en € 135,00 aan nakosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
stelt vast dat [eiser] geen beslissing meer wenst op zijn vordering,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.