De werknemer trad op 29 april 2024 in dienst bij de werkgever als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met toepassing van de cao Beroepsgoederenvervoer. Op 13 januari 2025 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens vermeende ongerechtvaardigde werkweigering. De werknemer maakte bezwaar en verzocht vernietiging van het ontslag en toekenning van vergoedingen, terwijl hij geen voortzetting van het dienstverband wenste vanwege een verstoorde arbeidsrelatie en een nieuwe baan.
De werkgever stelde dat het ontslag rechtsgeldig was vanwege het weigeren van een transportopdracht, wat ernstige verstoring van de bedrijfsvoering veroorzaakte. De werknemer betwistte dit en stelde dat hij beschikbaar was en dat het ontslag disproportioneel was, mede gelet op zijn persoonlijke omstandigheden zoals de zwangerschap van zijn partner.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de dringende reden ontbrak. De werkgever had onvoldoende onderbouwing gegeven en had niet voldaan aan goed werkgeverschap door niet adequaat te reageren op het verzoek van de werknemer om werk aan te passen. Het ontslag was een te zware sanctie; een waarschuwing had volstaan.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding over de opzegtermijn en een billijke vergoeding voor de periode daarna, rekening houdend met het feit dat de werknemer inmiddels een andere baan had. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van de werkgever opgelegd.