ECLI:NL:RBMNE:2025:2808

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
11592798 UE VERZ 25-72
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 11 BWArt. 7:677 lid 2 BWArt. 7:677 lid 3 BWArt. 7:686a lid 4 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gefixeerde schadevergoeding na onrechtmatig ontslag op staande voet

De werknemer trad op 29 april 2024 in dienst bij de werkgever als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 28 juni 2025 zou eindigen. De werkgever heeft de werknemer op 13 januari 2025 op staande voet ontslagen en verzocht om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding van €4.372,20 plus incassokosten en proceskosten.

De kantonrechter heeft in een samenhangende procedure geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Hierdoor kan de werkgever geen aanspraak maken op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro, omdat dit artikel ziet op de partij die opzegt en niet op de partij die wordt ontslagen.

De werkgever had haar verzoek mogelijk willen baseren op artikel 7:677 lid 2 en Pro 3 BW, dat een vergoeding toekent aan de partij die onterecht op staande voet is ontslagen. Echter, omdat het ontslag onrechtmatig is verklaard, is niet voldaan aan de voorwaarden voor deze vergoeding.

De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van de proceskosten van €1.192,00 en de wettelijke rente daarover. Het verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 11 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding na onrechtmatig ontslag op staande voet wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11592798 \ UE VERZ 25-72 MS/1270
Beschikking van 11 juni 2025
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. S.S.S. Mahadew,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. van der Horst.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties;
- de mondelinge behandeling van 14 mei 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De zaak is gevoegd behandeld met de procedure 11592729 \ UE VERZ 25-71 tussen [verweerder] en [verzoekster] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verweerder] was in dienst bij [verzoekster] . [verzoekster] heeft hem op staande voet ontslagen. [verzoekster] verzoekt om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter heeft vandaag in de procedure 11592729 \ UE VERZ 25-71
geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. [verzoekster] heeft daarom geen recht op een gefixeerde schadevergoeding. Haar verzoek wordt daarom afgewezen.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
[verweerder] is met ingang van 29 april 2024 in dienst getreden bij [verzoekster] in de functie van chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze arbeidsovereenkomst, die éénmaal is verlengd, zou op 28 juni 2025 eindigen. In de arbeidsovereenkomst is een tussentijds opzegbeding opgenomen.
3.2.
[verzoekster] heeft [verweerder] met een brief van 13 januari 2025 op staande voet ontslagen.
Het verzoek
3.3.
[verzoekster] verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van :
1. een gefixeerde schadevergoeding van € 4.372,20, vermeerderd met wettelijke rente;
2. de buitengerechtelijke incassokosten van € 562,22;
3. de kosten van het geding, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij [verweerder] op 13 januari 2025 rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen en dat zij op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding bestaande uit het brutoloon vanaf het moment van opzegging tot het moment dat de arbeidsovereenkomst bij opzegging had behoren voort te duren. Dat is volgens [verzoekster] een bedrag van € 4.372,20 over de periode van 14 januari 2025 tot en met 28 februari 2025.
Het verweer
3.5.
[verweerder] voert verweer en stelt - kort samengevat - dat het verzoek moet worden afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. Hij voert hiertoe onder meer aan dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.
Het verzoek is binnen de vervaltermijn ingediend
3.6.
Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn heeft [verzoekster] het verzoek tijdig ingediend.
De beoordeling
3.7.
De kantonrechter overweegt dat artikel 7:672 lid 11 BW Pro geen grondslag kan zijn voor de gefixeerde schadevergoeding waarom [verzoekster] heeft verzocht. In dit artikellid is bepaald dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding is verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In dit geval is het echter niet [verweerder] die heeft opgezegd, maar [verzoekster] zelf.
3.8.
Uit het verweerschrift van [verweerder] blijkt dat hij heeft begrepen dat het de bedoeling was van [verzoekster] om haar verzoek te baseren op artikel 7:677 lid 2 BW Pro. In dit artikellid is bepaald dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding is verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. In artikel 7:677 lid 3 BW Pro is bepaald hoe hoog die vergoeding dan is.
3.9.
In de procedure 11592729 \ UE VERZ 25-71 is vandaag geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat betekent dat geen sprake is van de situatie dat [verweerder] door opzet of schuld aan [verzoekster] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. [verzoekster] heeft daarom geen recht op een gefixeerde schadevergoeding. Haar verzoek wordt daarom afgewezen.
3.10.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat [verzoekster] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.192,00 (€ 514,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.11.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.192,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt [verzoekster] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad [1] .
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.