ECLI:NL:RBMNE:2025:2808
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gefixeerde schadevergoeding na onrechtmatig ontslag op staande voet
De werknemer trad op 29 april 2024 in dienst bij de werkgever als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 28 juni 2025 zou eindigen. De werkgever heeft de werknemer op 13 januari 2025 op staande voet ontslagen en verzocht om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding van €4.372,20 plus incassokosten en proceskosten.
De kantonrechter heeft in een samenhangende procedure geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Hierdoor kan de werkgever geen aanspraak maken op de gevorderde gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro, omdat dit artikel ziet op de partij die opzegt en niet op de partij die wordt ontslagen.
De werkgever had haar verzoek mogelijk willen baseren op artikel 7:677 lid 2 en Pro 3 BW, dat een vergoeding toekent aan de partij die onterecht op staande voet is ontslagen. Echter, omdat het ontslag onrechtmatig is verklaard, is niet voldaan aan de voorwaarden voor deze vergoeding.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van de proceskosten van €1.192,00 en de wettelijke rente daarover. Het verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 11 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding na onrechtmatig ontslag op staande voet wordt afgewezen.