Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
gezamenlijke verzoekvan
[verzoekende partij 1],
2.
[verzoekende partij 2],
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
De ‘behoefte’ van nabestaanden is wat nodig is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien op zo’n manier dat eenzelfde levensstandaard kan worden voortgezet zoals die voor het overlijden bestond ondanks het wegvallen van inkomsten door overlijden. Met het begrip ‘behoeftigheid’ wordt bedoeld wat nabestaanden in totaal tekort komen om de levensstandaard die zij hadden ook in de toekomst te kunnen houden. Dit totale tekort vormt de schade door gederfd levensonderhoud; de overlijdensschade.
Op 17 mei 2016 was de heer [A] bij [onderneming 2] bv (verder: [onderneming 2] ) om een lading stalen balken op te halen. Bij het hijsen van de balken door werknemers van [onderneming 2] is de heer [A] geraakt door een stalen balk. De balk was verkeerd bevestigd en viel. Dat is hem noodlottig geworden.
ECLI:NL:HR:2000:AA4719( [....] -arrest)) moet de gehele financiële positie in aanmerking worden genomen. Dit kan tot gevolg hebben dat eventuele gunstige financiële omstandigheden de behoefte kunnen beperken (behoefte verminderende omstandigheid).
Als blijkt dat de eerdere levensstandaard na het overlijden niet meer gehaald kan worden is er een tekort, en dus behoeftigheid (schade). De uitkomst kan ook zijn dat, ondanks dat het levensonderhoud wel gederfd wordt, de nabestaande door zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft toch ‘niet-behoeftig’ is.
rekenkundigvergelijken van iemands financiële positie voor en na overlijden en niet om een ‘voorvraag’ komt bovendien niet alleen overeen met het Rekenmodel Overlijdensschade maar volgt ook uit de toelichting die rekenkundige [D] geeft in zijn rapport (productie 7, punt 2.1.2) en waar beide partijen naar verwijzen: “
Voor de situatie zonder overlijden wordt de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaanden vastgesteld. Deze behoefte wordt vervolgens vergeleken met de beschikbare middelen om in het levensonderhoud te voorzien, alle feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking genomen.”