Uitspraak
1.De procedure
- de akte overlegging producties I t/m V van [gedaagde] (d.d. 21 mei 2025).
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer is sinds 1990 in dienst bij de werkgever en werd per 2 april 2025 vrijgesteld van werkzaamheden vanwege bedrijfseconomische redenen, omdat haar functie als telefoniste/receptioniste kwam te vervallen door centralisatie van telefoondiensten binnen het conglomeraat. De werknemer verzocht om wedertewerkstelling en toegang tot haar werkaccount, wat door de werkgever werd geweigerd.
De kantonrechter oordeelt dat het kort geding niet geschikt is om te beoordelen of de functie daadwerkelijk is vervallen; dit wordt behandeld in de ontslagprocedure bij het UWV. De vraag is of een voorlopige voorziening tot terugkeer in de functie gerechtvaardigd is. De werkgever heeft aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden niet meer bestaan en dat het belang van de werkgever om de werknemer vrij te stellen zwaarder weegt dan het belang van de werknemer om te werken, temeer daar het loon wordt doorbetaald.
Hoewel de wijze van communicatie en onmiddellijke vrijstelling door de werkgever als onvoldoende zorgvuldig wordt beoordeeld, leidt dit niet tot toewijzing van de vordering. De proceskosten worden gecompenseerd omdat de werkgever zorgvuldiger had moeten handelen. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.