Eiser heeft een huurovereenkomst gesloten met gedaagden voor een winkelruimte, waarbij sinds mei 2024 een huurachterstand is ontstaan van €14.930,19 tot en met januari 2025. Eiser vordert ontruiming van het gehuurde en betaling van de achterstallige huur.
Gedaagde 1 verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend. Gedaagde 2 staat onder beschermingsbewind en de bewindvoerder treedt als formele procespartij op. De kantonrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft vanwege zijn hypotheekverplichtingen en de betalingsachterstand.
De huurachterstand en de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente worden als voldoende aannemelijk beschouwd en toegewezen. De ontruiming wordt toegewezen omdat een huurachterstand van meer dan drie maanden leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst. De gevorderde machtiging tot ontruiming met inzet van de sterke arm wordt afgewezen als overbodig.
De kosten van ontruiming worden niet toegewezen omdat deze nog niet zijn te begroten, maar kunnen later worden verhaald. De vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen tot ontruiming wordt eveneens toegewezen. Gedaagde 1 en de bewindvoerder worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, toekomstige huur en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.