Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:3002

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
24 juni 2025
Zaaknummer
16.068582.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SvArt. 84 SvArt. 4 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis wegens termijnoverschrijding

De verdachte was geschorst van voorlopige hechtenis onder voorwaarden, waaronder het niet plegen van strafbare feiten. De officier van justitie vorderde opheffing van deze schorsing nadat de verdachte zich niet aan deze voorwaarde zou hebben gehouden. De rechtbank oordeelde dat de vordering tijdig was ingediend, maar dat de beslissing niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 48 uur na indiening was genomen.

De verdediging betoogde terecht dat de rechtbank niet tijdig had beslist, mede omdat de Algemene termijnenwet niet van toepassing is op termijnen in uren en er geen wettelijke verlenging mogelijk is. Hierdoor werd de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte wordt hierdoor in vrijheid gesteld, maar de schorsingsvoorwaarden blijven van kracht.

De beslissing werd genomen in raadkamer op 23 juni 2025 door voorzitter K. de Meulder in aanwezigheid van griffier B. Schelling.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van de schorsing van voorlopige hechtenis is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beslistermijn, waardoor de verdachte in vrijheid wordt gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer : 16-068582-25
beslissing op vordering opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 23 juni 2025
(artikel 82 Wetboek Pro van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Turkije),
feitelijk verblijfsadres:
[adres] , [postcode] [plaats] .
Raadsman mr. T. Roggenkamp.

Procedure

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen en bij beslissing van 10 april 2025 geschorst. Aan de schorsing zijn voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat:
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
De verdachte is aangehouden op grond van artikel 84, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie heeft opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd, omdat uit het proces-verbaal van politie met nummer 2025205037 blijkt dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de hiervoor gestelde algemene voorwaarde.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De verdediging heeft bepleit dat de vordering tot opheffing van de schorsing niet tijdig is gedaan.
Dat betoog slaagt niet. Op grond van artikel 84, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt de vordering “onverwijld” ingediend na de aanhouding van de verdachte. De verdachte is op donderdag 19 juni 2025 om 20.30 uur aangehouden en de vordering tot opheffing van de schorsing is op vrijdagmiddag 20 juni 2025 ingediend door de officier van justitie. Dat rechtbank oordeelt dat de vordering tijdig is ingediend.
De verdediging heeft vervolgens bepleit dat de vordering niet tijdig door de rechtbank wordt behandeld.
Dit betoog slaagt wel. Op grond van artikel 84, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beslist de rechtbank binnen tweemaal vierentwintig uur na het indienen van de vordering. De vordering wordt vandaag, op maandag 23 juni 2025, behandeld door de rechtbank. De verdediging wijst er terecht op dat er geen wettelijke bepaling is die voorziet in het verlengen van de beslistermijn gedurende het weekend, omdat de Algemene termijnenwet op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van die wet niet geldt voor termijnen die zijn omschreven in uren. Daarvan is in dit geval sprake. Deze beslissing van de rechtbank wordt dan ook niet tijdig gegeven, ná de wettelijke termijn die daarvoor geldt. De vordering is daarom niet-ontvankelijk.
Dit betekent dat verdachte in vrijheid wordt gesteld. De gestelde schorsingsvoorwaarden blijven onverkort gelden.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de vordering van de officier van justitie niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 23 juni 2025 door:
mr. K. de Meulder, voorzitter,
in tegenwoordigheid van B. Schelling, griffier.