In deze zaak stond een executiegeschil centraal waarbij eiser verzocht om opschorting van de ontruiming van zijn woning, nadat de huurovereenkomst was ontbonden door een eerder vonnis van 21 mei 2025. Centrada, de verhuurder, had het vonnis betekend en de ontruiming gepland op 25 juni 2025. Eiser stelde dat de ontruiming tot een noodtoestand zou leiden omdat hij geen alternatieve woonruimte heeft en de omgang met zijn kind in gevaar komt.
De kantonrechter erkende het spoedeisend belang van eiser, maar oordeelde dat het belang van Centrada bij de uitvoering van het vonnis zwaarder weegt. Er was geen sprake van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis en de persoonlijke omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen opschorting. Het enkele feit dat eiser op straat komt te staan is inherent aan een ontruiming en was reeds in het eerdere vonnis meegewogen.
Verder werd benadrukt dat het kort geding geen verkapt hoger beroep mag zijn; aanvullende bewijsstukken kunnen in het hoger beroep worden ingebracht. De vordering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten van Centrada.