ECLI:NL:RBMNE:2025:3053
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsontzegging voor rondhangen in Utrecht en evenredigheid
Eiser maakte bezwaar tegen een verblijfsontzegging van een maand die de burgemeester van Utrecht had opgelegd wegens zonder redelijk doel rondhangen in een portiek. De burgemeester handhaafde het besluit na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 25 maart 2025.
Eiser stelde dat de burgemeester de onschuldpresumptie had geschonden en onvoldoende had gemotiveerd waarom de verblijfsontzegging proportioneel was, onder meer vanwege belemmeringen in het contact met zijn advocaat en het gebruik van een bushalte. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester aannemelijk had gemaakt dat eiser de APV had overtreden en dat de maatregel los stond van eventuele strafrechtelijke procedures.
Verder volgde de rechtbank het standpunt dat eiser het kantoor van zijn advocaat kon bereiken zonder het gebied te betreden en dat alternatieve bushaltes beschikbaar waren. De duur van de verblijfsontzegging werd als proportioneel beoordeeld in het licht van het beleid van de burgemeester en de aard van de overtreding. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verblijfsontzegging wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.