Verzoekster heeft op 31 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 19 augustus 2024 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft op 4 februari 2025 alsnog een besluit genomen op het bezwaar. In het verweerschrift erkende verweerder dat het beroep terecht was ingesteld en bood aan het griffierecht en een proceskostenvergoeding te betalen, maar stelde dat verzoekster geen procesbelang meer had.
Op 2 april 2025 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank vroeg verweerder om een reactie, maar ontving geen antwoord, wat werd geïnterpreteerd als geen bezwaar tegen het verzoek.
De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op €453,50, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, en wees erop dat het griffierecht van €53,- rechtstreeks door verweerder moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 25 juni 2025.