De werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer primair wegens disfunctioneren, subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair wegens een combinatie van deze gronden. De werknemer was sinds 1 februari 2023 in vaste dienst en werkte in een functie waarbij hij verantwoordelijk was voor het onderzoeken en analyseren van risicovolle meldingen.
Er vonden twee verbetertrajecten plaats tussen december 2023 en december 2024. De werkgever concludeerde dat de werknemer onvoldoende verbetering had getoond en dat hij zijn functie niet langer kon bekleden. De werknemer betwistte de deugdelijkheid van het eerste verbetertraject en stelde dat hij onvoldoende begeleiding ontving. De kantonrechter oordeelde dat het eerste verbetertraject niet deugdelijk was, maar het tweede wel en dat ondanks intensieve begeleiding het functioneren onvoldoende bleef.
Hoewel disfunctioneren een redelijke grond voor ontbinding vormt, oordeelde de kantonrechter dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht om de werknemer te herplaatsen in een passende functie binnen de organisatie. De werkgever had zich beperkt tot het wijzen op vacaturesites en het aanbieden van coaching, maar had geen actieve, initiërende rol vervuld in het herplaatsingsonderzoek. De situatie waarin herplaatsing niet in de rede ligt, was niet aannemelijk gemaakt.
Daarom werd het ontbindingsverzoek afgewezen en de werkgever veroordeeld in de proceskosten. De tegenverzoeken van de werknemer werden eveneens afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.