ECLI:NL:RBMNE:2025:3120

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
C/16/569576 / HL ZA 24-32
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake afgifte zaken na beslag, verdeling beperkte gemeenschap en vorderingsrecht op auto

In deze zaak, die voor de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, gaat het om een geschil tussen een vrouw en een man die een affectieve relatie hebben gehad en samen twee kinderen hebben gekregen. De vrouw heeft de samenlevingsovereenkomst op 16 april 2023 beëindigd en de man heeft tegenvorderingen ingesteld, waaronder de terugbetaling van een lening voor een vakantiewoning in Italië. De rechtbank heeft op 2 juli 2025 uitspraak gedaan over de afgifte van zaken die door de vrouw zijn gevorderd na beslaglegging. De vrouw heeft onder andere aanspraak gemaakt op sieraden, maar de rechtbank oordeelt dat de meeste sieraden eigendom van de man zijn. De vrouw heeft niet voldoende onderbouwd dat zij eigenaar is van de sieraden, en de rechtbank wijst haar vorderingen tot afgifte grotendeels af. De rechtbank heeft ook de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel behandeld en de Mini Cooper aan de vrouw toegewezen, met een verplichting om een deel van de waarde aan de man te vergoeden. Daarnaast zijn er dwangsommen opgelegd voor het niet voldoen aan de veroordelingen. De rechtbank heeft de vorderingen van de man tot schadevergoeding en het opheffen van beslag toegewezen, en de vrouw moet de lening voor de vakantiewoning terugbetalen. De proceskosten worden gecompenseerd, en de beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/569576 / HL ZA 24-32
Vonnis van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.B. de Jong,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.J.P. Kweens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. De dagvaarding (van 31 januari 2024) met producties P1-P9
b. De conclusie van antwoord (van 24 april 2024) met eis in reconventie met producties 1-17
c. De akte eisvermeerdering en conclusie van antwoord in reconventie (van 7 juni 2024) met producties P10-P21 [1]
d. De akte overlegging producties namens de man (van 23 juni 2024) met producties 18-24
e. De regiezitting van 4 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
f. De akte reactie op akte overlegging producties van 23 juni 2024 (van 31 juli 2024) met productie P22
g. De akte reactie op vermeerdering eis (van 31 juli 2024) met producties 25-27
h. De akte eisvermeerdering namens de vrouw (van 30 oktober 2024) met producties P23-P28
i. De akte reactie op eisvermeerdering (van 6 december 2024) met producties 28 en 29
j. De e-mail waarin een mondelinge behandeling is bepaald (van 11 maart 2025)
k. De akte overlegging producties namens de man (van 8 mei 2025) met producties 30-35
l. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 mei 2025.
1.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

2.De kern van de zaak

De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen twee kinderen gekregen. Zij zijn een samenlevingsovereenkomst met een beperkte gemeenschap aangegaan. De vrouw heeft de samenleving op 16 april 2023 beëindigd en de samenlevingsovereenkomst op 25 mei 2023 opgezegd. Daarna hebben partijen veel procedures tegen elkaar gevoerd, ook vanwege de kinderen. In deze zaak gaat het onder andere over de afgifte van de zaken waar de vrouw aanspraak op maakt, de verdeling van de inboedel (ook dat van het vakantiehuis in Italië) en de Mini Cooper, de verrekening van een aantal schulden en de beslagen die door de vrouw zijn gelegd (waarvan een deel is vervallen). De man heeft tegenvorderingen ingesteld (eis in reconventie). Hij wil onder andere dat een door hem verstrekte lening (met rente) voor de vakantiewoning in Italië wordt terugbetaald en dat de vrouw verplicht wordt de kunsthandelaren die zij heeft benaderd over een mogelijke verkoop van de sieraden, schriftelijk te laten weten dat zij weer zaken voor de man mogen verkopen.

3.De beoordeling

Vooraf: verhouding met kortgedingprocedure over de gelegde beslagen
3.1.
De vrouw heeft op 15 december 2023 met een verzoekschrift toestemming gevraagd aan de rechtbank om conservatoir beslag te leggen. Zij heeft die toestemming verkregen en daarna op 20 december 2023 conservatoir beslag laten leggen op zaken die in de woning (en garage) van de man lagen en/of in een externe opslag bij Shurgard. De zaken die de deurwaarders hebben aangetroffen zijn nu in gerechtelijke bewaring bij [bedrijf] B.V. De vrouw vordert toedeling van de zaken die van haar zijn en verwijst daarvoor naar de randnummers 15 tot en met 52 in haar verzoekschrift van 15 december 2023. [2] Daarna zijn er ook zaken in beslag genomen op 24 april 2024 en 16 oktober 2024.
3.2.
In een kortgedingprocedure heeft de man aan de voorzieningenrechter gevraagd om te verklaren dat deze beslagen van rechtswege zijn vervallen of om die beslagen op te heffen. [3] Hoewel de voorzieningenrechter de man (deels) in het gelijk heeft gesteld ten aanzien van de beslagen van 24 april 2024 en 16 oktober 2024, is het beslag van 20 december 2023 blijven liggen. Van de zaken die toen in beslag zijn genomen, moet nu worden beoordeeld aan wie deze toebehoren. De vrouw eist toedeling van deze zaken aan haar, op straffe van een dwangsom. Die dwangsom zal de rechtbank afhankelijk maken van het moment waarop partijen feitelijk over de af te geven zaken kunnen beschikken. Dat is noodzakelijk omdat partijen verwikkeld zijn in een executiegeschil over het kortgedingvonnis van 14 maart 2025, omdat de vrouw dit vonnis volgens de man niet nakomt. Van de zaken die in beslag zijn genomen tijdens de beslagen die inmiddels van rechtswege zijn vervallen (en die de man dus terug moet krijgen), is het op dit moment onduidelijk waar deze zich fysiek bevinden. Volgens het kortgedingvonnis heeft de vrouw deze zaken terug moeten geven aan de man, maar de man heeft tijdens de zitting op 21 mei 2025 gezegd dat hij deze zaken nog niet terug heeft. Het is onduidelijk of er hierna nog iets is veranderd in de feitelijke situatie.
in conventie
Toedeling van de zaken die op 20 december 2023 in beslag zijn genomen
3.3.
De vrouw eist dat de zaken genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44, 45, 50, 51, en 52 van de grosse van het verzoekschrift van 15 december 2023 aan haar worden toebedeeld. De man erkent in de conclusie van antwoord dat de zaken genoemd onder nummer 33, 38, 44 (voor zover het gaat om de Zilveren Lepel-boeken en een kookboek in het Italiaans), 45, 50 en 52 van de vrouw zijn. [4] Verderop in de conclusie van antwoord geeft de man aan dat wat hem betreft de zaken onder nummer 41- 43, 44 (de gemeenschappelijke kookboeken) en 45 aan de vrouw kunnen worden toebedeeld. [5] Daarnaast heeft de man tijdens de zitting aangegeven dat hij akkoord is met het toedelen van de overige boeken genoemd onder nummer 44. Voor die zaken wijst de rechtbank de vordering toe.
3.4.
Onder nummer 45 vallen ook vier Alessi-trommels waarvan de man heeft gevraagd of die aan hem kunnen worden toebedeeld. Tijdens de zitting heeft de vrouw daarmee ingestemd. Bovendien zijn partijen het erover eens geworden dat enkele persoonlijke boeken van de man, die ook in beslag zijn genomen maar die niet duidelijk zijn omschreven, aan de man worden toebedeeld.
3.5.
Dan blijft over nummer 51, in het verzoekschrift breed omschreven als ‘de keukeninventaris’. Volgens het verslag van Yards deurwaardersdiensten van 20 december 2023 zijn slechts enkele keukenapparaten in beslag genomen. Het gaat om een Nespresso-apparaat van Krups, een sous-videapparaat van Solis en een keukenmachine van Kenwood (met citruspers en blender). Deze zaken vallen onder het huisraad zoals beschreven in artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst en daarmee onder de gemeenschappelijke inboedel. De verdeling van de gemeenschappelijke inboedel komt aan de orde in randnummers 3.16. en 3.17. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zaken haar privé-eigendom zijn. Het feit dat vooral zij gebruik maakte van deze apparaten betekent nog niet dat deze goederen buiten de gemeenschappelijke inboedel vallen. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom af.
De sieraden blijven (grotendeels) bij de man
3.6.
Naast toedeling van de zaken die op 20 december 2023 in beslag zijn genomen, eist de vrouw ook dat de man de zaken afgeeft die toen niet in beslag konden worden genomen, omdat de deurwaarder die niet aantrof. Het gaat dan vooral om kostbare sieraden van merken als Cartier, Van Cleef en Arpels en Tiffany. De rechtbank begrijpt dat bij de latere beslagen deze sieraden wel in beslag zijn genomen. Omdat deze beslagen van rechtswege zijn vervallen, het kortgedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, en het latere executiegeschil is gewonnen door de man, zijn de sieraden als het goed is weer teruggegeven aan de man. De rechtbank oordeelt dat de sieraden aan de man toebehoren, en dat slechts enkele stukken moeten worden afgegeven aan de vrouw.
3.7.
Uit de foto’s in de subproducties bij het verzoekschrift van 15 december 2023, die overigens zeer slecht leesbaar zijn, blijkt dat de sieraden – voor zover de rekeningen op de foto’s staan – zijn aangeschaft en betaald door de man. Daarom is hij eigenaar van de sieraden geworden. Hierop is één uitzondering. Op de bonnetjes van de sieraden die worden genoemd in randnummer 35 van het verzoekschrift (subproductie 24) staat namelijk niet de naam van de man, maar van de vrouw. Daar staat: “Nom et adresse du client – Mrs [A] – [gevolgd door het huisadres]”. Deze sieraden zijn omschreven in het verzoekschrift als “Tiffany, set bestaande uit oorbellen, kort kettinkje met hanger en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, gekregen bij de geboorte van [naam] , met bon op naam van de vrouw” en moet de man afgeven aan de vrouw.
3.8.
De vrouw kan de andere sieraden alleen opeisen als zij onderbouwt dat zij eigenaar is (of is geworden) van de sieraden. [6] Voor zover de vrouw bedoelt dat zij (voor de onverdeelde helft) eigenaar van de sieraden is omdat de sieraden onder de inboedel zouden vallen, stuit dat af op de definitie van de inboedel uit artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Daar staat dat inboedel het geheel is van het huisraad en de tot stoffering en meubilering van de woning dienende roerende zaken. Daar vallen geen sieraden onder. De man stelt zich op het standpunt dat de sieraden ‘voorwerpen van kunst’ zijn. Volgens hem was het zijn bedoeling was om een collectie op te bouwen door deze bijzondere sieraden te verzamelen. Hij onderbouwt dat met het feit dat de sieraden zijn gekocht bij bekende kunsthandelaren, waaronder een bekende antiquair in Amsterdam en op de kunstbeurzen Tefaf en PAN Amsterdam. De vrouw heeft tijdens de zitting bovendien aangegeven dat zij kunstgeschiedenis heeft gestudeerd en dat zij vanuit die interesse de man in de sieradenwereld heeft betrokken. De rechtbank laat in het midden of het voorwerpen van kunst zijn, want zij hoeft niet te beoordelen of de sieraden voorwerpen van kunst zijn of niet. Het is namelijk in ieder geval zo dat de sieraden geen huisraad zijn en ook geen tot stoffering en meubilering van de woning dienende roerende zaken. De sieraden maken dus geen onderdeel uit van de inboedel en zijn daarmee ook geen onderdeel van de beperkte gemeenschap.
3.9.
Voor het overgrote deel van de sieraden stelt de vrouw alleen dat zij eigenaar is geworden omdat zij deze cadeau heeft gekregen, maar zij motiveert dat niet. Van enkele sieraden overlegt de vrouw foto’s waarop zij de betreffende sieraden draagt, maar dat is niet voldoende om te onderbouwen dat haar deze sieraden zijn geschonken.
3.10.
Dat de vrouw heeft aangeboden om nader bewijs te leveren wanneer en ter gelegenheid van welke gebeurtenis zij de sieraden heeft gekregen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank komt namelijk niet toe aan dat bewijsaanbod, omdat de vrouw niet voldoende heeft uitgelegd (gesteld) dat de sieraden van haar zijn. Daarnaast heeft de vrouw meer dan een jaar de gelegenheid gehad om gedetailleerde verklaringen over de verkrijging van de sieraden in het geding te brengen, maar zij heeft dat nagelaten.
3.11.
Ten slotte vraagt de vrouw om afgifte van de sieraden toe te wijzen op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zij legt dat verder niet uit, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat. Er is in ieder geval geen sprake van omstandigheden waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de normale wettelijke bepalingen – op grond waarvan de vrouw moet aantonen dat zij eigenaar is om de sieraden terug te krijgen – worden toegepast.
3.12.
De rechtbank wijst niet alleen de primaire vordering tot afgifte van de sieraden grotendeels af, maar ook de subsidiaire vordering waarin de vrouw een vervangende schadevergoeding van € 1 miljoen eist. De vrouw werkt niet uit waarop zij baseert dat zij recht heeft op een schadevergoeding. Als zij bedoelt te zeggen dat de man onrechtmatig handelt tegenover haar door de sieraden niet aan haar te geven, gaat de rechtbank daar niet in mee. Het is immers niet vast komen te staan dat de sieraden haar eigendom zijn, dus de man maakt geen inbreuk op enig recht van de vrouw door die niet aan haar te geven.
3.13.
Tijdens de zitting zijn partijen het wel eens geworden over de eigendom van de volgende sieraden:
a. In randnummer 37 van het verzoekschrift van 15 december 2023 (met subproductie 26) worden diverse sieraden genoemd. Voor zover het gaat om de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van deze productie (waar bladzijdenummer ‘41’ zichtbaar is), heeft de man tijdens de zitting erkend dat deze ring en oorbellen door hem cadeau zijn gegeven aan de vrouw. De rechtbank zal dan ook oordelen dat deze sieraden door de man aan de vrouw moeten worden afgegeven.
In randnummer 49 van hetzelfde verzoekschrift (met subproductie 38) worden twee horloges genoemd, een Breitling Navitimer World met zwart/donkerblauwe band en een Tissot-horloge goud. Tijdens de zitting heeft de vrouw erkend dat zij deze cadeau heeft gegeven aan de man.
3.14.
Verder heeft de man aangegeven dat (i) de nerts bontjas genoemd in randnummer 31 en (ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van de vrouw zijn. [7] Deze zaken moet hij dus afgeven aan de vrouw.
De vrouw krijgt geen inzage in de ordners met administratie van de man
3.15.
De rechtbank wijst de vordering van de vrouw tot afgifte van diverse ordners met administratie af. Voor zover het gaat om aanschafbewijzen van de sieraden, heeft de vrouw geen belang bij deze vordering, omdat de aanschafbewijzen door de vrouw zelf al in het geding zijn gebracht en uit deze aanschafbewijzen niets blijkt van een eventuele schenking van de sieraden door de man aan de vrouw. De vrouw heeft ook geen belang bij de aankoopnota’s en gebruiksaanwijzingen van de inboedel van de vakantiewoning in Italië, want partijen zijn het erover eens dat deze inboedel wordt toebedeeld aan de man (zie randnummer 3.25.). Van de overige administratie in de ordners (de Visacard-afschriften van de afgelopen 10 jaar, de wachtwoorden van Visa-bankieren en telebankieren) heeft de vrouw onvoldoende uitgelegd waarom zij daarbij belang heeft.
De gemeenschappelijke inboedel wordt verdeeld zoals voorgesteld door de vrouw
3.16.
De vrouw vordert verdeling van de gemeenschappelijk inboedel volgens de lijst die als productie 5 bij de dagvaarding is gevoegd, waarbij de vrouw aanspraak maakt op de geel gekleurde zaken op die lijst. [8] Dit is dezelfde lijst als productie 29 van de man. De man erkent deze vordering. [9] Tijdens de zitting zijn partijen hierop één uitzondering overeengekomen, namelijk de kleine Bric-trolley van zacht (nep)leer. Deze is geel gemarkeerd in productie 5, maar wordt toebedeeld aan de man.
3.17.
De vrouw heeft later nog twee andere versies van de lijst met gemeenschappelijke zaken ingediend. [10] Tijdens de zitting heeft de rechtbank de erkenning van de man van de verdeling volgens productie 5 bij de dagvaarding ter sprake gebracht en gevraagd naar de bedoeling van de latere versies van de lijst. De advocaat van de vrouw heeft toen aangegeven dat de verdeling volgens productie 5 kan worden aangehouden. Dat wijst de rechtbank dus toe.
3.18.
Omdat de rechtbank de primaire vordering tot verdeling van de gemeenschappelijke inboedel toewijst, komt zij niet toe aan bespreking van de subsidiaire vordering van vervangende schadevergoeding voor de gemeenschappelijke inboedel.
De vrouw krijgt geen informatie over beleggingsrekeningen en de levensverzekering
3.19.
De man hoeft geen informatie te verstrekken over zijn beleggingsrekeningen bij DeGiro en Brand New Day. De vrouw vindt dat zij recht zou hebben op inzage in deze rekeningen op naam van de man, omdat volgens haar gezamenlijk verdiend geld op deze rekeningen is gestort. Daar gaat de rechtbank niet in mee. De vrouw heeft inderdaad werkzaamheden verricht in de kaakchirurgiepraktijk van de man, maar zij deed dat in dienstverband en ontving daarvoor salaris. De man heeft dat onderbouwd met aangiften inkomstenbelasting van de vrouw. De vrouw kan dus geen aanspraak maken op geld dat de man heeft verdiend als kaakchirurg en heeft daarom ook geen recht op inzage in de beleggingsrekeningen van de man.
3.20.
Ook het verzoek om informatie over de levensverzekering bij Reaal wordt afgewezen, omdat partijen het erover eens zijn dat deze levensverzekering in 2021 of 2022 is afgelopen.
De man hoeft geen kopieën van digitale foto’s aan de vrouw te verstrekken
3.21.
Partijen kunnen het niet eens worden over de digitale foto’s van het gezin van de periode 2003-2023, waarvan de vrouw om (digitale) kopieën vraagt. Het staat vast dat zowel de man als de vrouw over hun eigen digitale foto’s van de kinderen beschikt. De vrouw legt niet uit waarop zij baseert dat zij recht zou hebben op kopieën van de digitale foto’s van de man. De rechtbank wijst haar verzoek daarom af.
De Mini Cooper gaat naar de vrouw
3.22.
De vrouw eist dat de Mini Cooper aan haar wordt toebedeeld zonder verrekening en dat de man de reservesleutel aan haar afgeeft. De auto werd geleased door de man en de vrouw samen. De man is het ermee eens dat deze auto naar de vrouw gaat, maar heeft een tegenvordering ingesteld die erop ziet dat de vrouw dan de helft van de waarde van de Mini Cooper (of eigenlijk: het vorderingsrecht, want de auto was nog geen eigendom van de vrouw) aan de man betaalt wegens overbedeling. De rechtbank gaat daarin mee. De vrouw gebruikt de Mini Cooper feitelijk sinds het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst op 25 mei 2023. De waarde van een vergelijkbare Mini Cooper (ook qua leeftijd en kilometerstand) bedroeg op dat moment € 25.000,00. De man onderbouwt die waarde met een advertentie van een soortgelijke auto. [11] De vrouw stelt dat dat de waarde lager is, namelijk € 17.500,00, maar onderbouwt dat verder niet. De rechtbank sluit daarom aan bij een waarde van € 25.000,00.
3.23.
Op 25 mei 2023 was de feitelijke waarde van het vorderingsrecht lager. Er moesten namelijk nog twee leasetermijnen en een slottermijn – in totaal € 11.621,84 – worden betaald aan de leasemaatschappij voordat de auto eigendom werd van de man en de vrouw. De feitelijke waarde van het vorderingsrecht was daarom € 25.000,00 - € 11.621,84 = € 13.378,16. De helft van deze waarde, namelijk € 6.689,08, moet de vrouw vergoeden aan de man.
De man heeft zich niet ongerechtvaardigd verrijkt
3.24.
De vrouw vraagt de rechtbank de man te veroordelen tot betaling van € 5.000,00 en € 3.300,00 vanwege ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst dat af, omdat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking:
Het bedrag van € 5.000,00 betreft een lening die een gezamenlijke kennis (Esther van Dijk) op 9 december 2022 aan de man heeft verstrekt. Vervolgens heeft de vrouw dit bedrag in 10 termijnen van € 500 afbetaald, omdat zij zich daartoe moreel verplicht voelde. Niet valt in te zien waarom het onverplicht aflossen van de lening nu voor rekening van de man moet komen op grond van ongerechtvaardigde verrijking. De vrouw heeft namelijk niet uitgelegd waarom er sprake zou zijn van iets ongerechtvaardigds.
Het bedrag van € 3.300 betreft creditcardschulden die zijn aangegaan in de periode oktober 2022 tot en met februari 2023. In februari 2023 is de volledige creditcardschuld afgelost. Dat blijkt uit de overgelegde rekeningoverzichten van International Card Services B.V. [12] Zowel het aangaan van de creditcardschulden als de aflossing ervan vonden plaats in de periode dat de affectieve relatie nog niet was verbroken en de samenlevingsovereenkomst nog niet was beëindigd. Zoals besproken tijdens de zitting, zijn deze schulden aangegaan voor de gezamenlijke huishouding en deze komen op grond van artikel 4 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst voor rekening van de vrouw. De reden daarvoor is dat de vrouw op dat moment de enige persoon was met een inkomen. Er is in ieder geval geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking door de man.
De inboedel van de vakantiewoning in Italië gaat naar de man
3.25.
De vrouw en de man zijn het erover eens dat de inboedel van de vakantiewoning in Italië naar de man gaat. Tijdens de zitting hebben partijen ingestemd met een verdeling van de inboedel volgens productie 5 bij de dagvaarding (zie ook randnummer 3.16. en 3.17.). Daarop staat ook de inboedel van het vakantiehuis in Italië. [13] Geen van de zaken in het vakantiehuis is geel gemarkeerd, dus de volledige inboedel van het vakantiehuis in Italië voor zover deze wordt genoemd op deze lijst wordt toebedeeld aan de man.
3.26.
De vrouw eist dat de man de inboedel binnen vijf dagen na de datum van het vonnis op laat halen in Italië. Voor een internationale verhuizing is dat een onredelijk korte termijn. De rechtbank stelt deze termijn daarom op zes weken na de datum van het vonnis.
Eisvermeerdering van 7 juni 2024: geen aanstelling van een deskundige
3.27.
Op 7 juni 2024 heeft de vrouw haar eis vermeerderd door te vragen om aanstelling van een deskundige, die op basis van bepaalde zoektermen zou moeten nagaan aan wie de man de sieraden heeft aangeboden, wanneer en door wie de sieraden zijn gekocht, voor wie de sieraden zijn gekocht en welke waarde de sieraden vertegenwoordigen. Dat zou de deskundige dan moeten nagaan in de e‑mails en andere databestanden van de man waarop de deurwaarder op 24 april 2024 bewijsbeslag heeft gelegd. (Overigens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het bewijsbeslag van 24 april 2024 op de e-mails en andere databestanden van rechtswege is komen te vervallen, omdat de vrouw zich niet heeft gehouden aan de voorwaarde om uiterlijk op 8 mei 2024 een eis in de hoofdzaak in te stellen. [14] De vrouw heeft de laptop met daarop de onder het bewijsbeslag vallende digitale bestanden dus terug moeten geven aan de man.)
3.28.
Voor zover de vrouw hiermee nu nog verzoekt om inzage in stukken die zich onder de man bevinden (op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv)), wijst de rechtbank dat af. De vrouw heeft namelijk niets gesteld, niet bij eisvermeerdering en ook niet later in de procedure, op grond waarvan het verzoek kan worden toegewezen. Zij had op zijn minst uit moeten leggen welk rechtmatig belang zij heeft bij inzage, de stukken voldoende concreet moeten omschrijven (niet alleen als “emails en andere databestanden”), en uit moeten leggen waarom juist deze documenten relevant zijn voor de onderbouwing van haar vorderingen. Daar komt nog bij dat de rechtbank in randnummer 3.6. tot en met 3.14. heeft overwogen dat de (meeste) sieraden niet van de vrouw zijn. Als de vrouw meende een rechtmatig belang te hebben bij inzage omdat zij vond dat de sieraden haar eigendom waren, is dat belang dus niet aanwezig.
Eisvermeerdering van 30 oktober 2024: de man hoeft deze beslagkosten niet te betalen
3.29.
Op 30 oktober 2024 heeft de vrouw haar eis opnieuw vermeerderd vanwege het verlof voor het leggen van conservatoir beslag dat zij heeft verkregen op 22 augustus 2024. Vervolgens heeft zij op 16 oktober 2024 conservatoir beslag laten leggen. Zij vermeerdert haar eis met gemaakte deurwaarderskosten, de kosten van het opnieuw inschakelen van [bedrijf] B.V. en het griffierecht voor het verzoekschrift conservatoir beslag. In totaal gaat het om een eisvermeerdering van € 11.988,37.
3.30.
Deze vordering wijst de rechtbank af, omdat de man een expliciet beroep heeft gedaan op een uitzondering in de wet waarin is bepaald dat beslagkosten niet kunnen worden teruggevorderd als het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. [15] Dat is hier het geval, want de voorzieningenrechter heeft in de hiervoor genoemde kortgedingprocedure bepaald dat het beslag van 16 oktober 2024 van rechtswege is vervallen. [16]
Dwangsommen
3.31.
De vrouw vraagt om een ongemaximeerde dwangsom van € 10.000,00 per dag als de man weigert om te voldoen aan de veroordeling tot afgifte van de sieraden die aan de vrouw zijn toegewezen en om een ongemaximeerde dwangsom van € 1.000,00 per dag als de man weigert om mee te werken aan de veroordeling in de verdeling van het huisraad. Het procesgedrag van partijen geeft inderdaad aanleiding tot het opleggen van dwangsommen, als sterke prikkel om de veroordelingen na te komen. Partijen zijn namelijk verwikkeld (geweest) in vijftien gerechtelijke procedures, waaronder een kort geding over de uitvoering van het hiervoor aangehaalde kortgedingvonnis (een executiegeschil). Wel zal de rechtbank de gevraagde dwangsommen beperken tot € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. De gevorderde dwangsom voor het teruggeven van de reservesleutel van de Mini Cooper (€ 250,00 per dag zonder maximum) zal de rechtbank beperken tot € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00.
De man moet de beslagkosten van het eerste beslag (20 december 2023) betalen
3.32.
De vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.459,63 voor kosten deurwaardersexploten, € 86,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 614,00), totaal € 3.159,63.
De man hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.33.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. De vrouw heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De enkele stelling dat de vrouw en haar advocaat “serieuze inspanningen” hebben gedaan maakt dat niet anders, omdat de vrouw niet uitlegt waaruit die inspanningen hebben bestaan. De kosten waarvan de vrouw vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling en de veroordeling in de beslagkosten worden geacht een vergoeding in te sluiten.
in reconventie
Opheffen gelegde beslagen
3.34.
De man heeft een apart opheffingskortgeding aangespannen waarin hij de voorzieningenrechter heeft gevraagd om de gelegde beslagen op te heffen. Daarin is inmiddels ook uitspraak gedaan. [17] Daarnaast heeft de man in deze procedure gevraagd om opheffing van de beslagen die zijn gelegd op grond van het beslagverlof van 15 december 2023, op straffe van een dwangsom. (Voor zover de rechtbank bekend is er één keer beslag gelegd op grond van dit beslagverlof, namelijk op 20 december 2023.) Voor het opheffen van een beslag moet de rechtbank de belangen afwegen die partijen hebben bij het beslag. De rechtbank heeft in randnummer 3.3.-3.5. beoordeeld hoe de zaken moeten worden verdeeld die op 20 december 2023 in beslag zijn genomen. De vrouw heeft daarom niet langer een belang bij beslag op deze zaken. De man heeft daarnaast recht om te kunnen beschikken over de zaken die zijn eigendom zijn. De rechtbank zal het beslag daarom opheffen. De vorderingen van de man dat de vrouw moet verklaren dat het beslag is opgeheven en dat de vrouw dit aan de advocaat van de man moet laten weten, wijst de rechtbank af, omdat de rechtbank zelf het beslag zal opheffen en dit vonnis daarvan voldoende bewijs is. Voor de vordering tot afgifte van zaken aan de man verwijst de rechtbank naar de beoordeling in conventie (randnummer 3.3.-3.5.). De rechtbank wijst ten slotte het verbod toe om opnieuw beslag te leggen op grond van het beslagverlof van 15 december 2023, omdat de vrouw daar niets tegenin heeft gebracht.
De vrouw hoeft geen schadevergoeding te betalen voor de beschadigde tafel
3.35.
Bij het leggen van beslag is volgens de man een doos met boeken over een tafel getrokken, waardoor de tafel is bekrast. De man wil daarom € 500,00 schadevergoeding van de vrouw, maar dat wijst de rechtbank af. De vrouw heeft namelijk uitgelegd dat er al krassen op de (acht jaar oude) tafel zaten, terwijl de man geen foto’s of andere stukken heeft overgelegd waaruit de schade blijkt.
De vorderingen over de afgifte van het brons en de diverse meubelen zijn ingetrokken
3.36.
De man heeft tijdens de zitting laten weten dat het bronzen kunstwerk van Philippe Berry inmiddels terug is bij hem. Dat geldt ook voor de rotan loungeset en de witgelakte eettafel met zes (kunst)lederen stoelen. Daarnaast heeft de man aangegeven dat hij zijn vordering intrekt voor zover deze ziet op de zwarte kunststof buitenset. Daarmee beschouwt de rechtbank de vorderingen in reconventie genoemd onder punt 9 en 10 als ingetrokken.
De Mini Cooper
3.37.
De toedeling van de Mini Cooper is hiervoor behandeld onder randnummer 3.22. en 3.23. Daaruit volgt dat de vrouw vanwege overbedeling nog € 6.689,08 moet betalen aan de man. De man vordert daarover wettelijke rente vanaf 24 april 2024. De rechtbank wijst dat toe, want op die datum was de vrouw inderdaad in verzuim. Dat betekent dat de man op die dag recht had op betaling van dit bedrag, maar de vrouw heeft dat niet betaald. De wettelijke rente is een vergoeding voor die vertraging in de betaling.
3.38.
Hieruit volgt ook dat de vorderingen in reconventie genoemd onder punt 12 en 13 niet hoeven te worden behandeld, want de daarin genoemde voorwaarde is niet vervuld. De vrouw vorderde namelijk wel toedeling van het vorderingsrecht.
3.39.
Verder eist de man dat de vrouw alle kosten (of subsidiair: de helft van de kosten) vergoedt die hij heeft gemaakt voor de Mini Cooper met een beroep op artikel 3 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Dat wijst de rechtbank af. Artikel 3 lid 2 beschrijft twee situaties: een uitgangspunt en een uitzondering daarop. Het uitgangspunt is dat alle schulden worden gedragen door degene die de schulden heeft doen ontstaan. In dit geval is de schuld aan de leasemaatschappij ontstaan door zowel de man als de vrouw, omdat zij beiden partij zijn bij de leaseovereenkomst. Dit uitgangspunt biedt daarmee geen ruimte voor een volledige kostenvergoeding door de vrouw. De uitzondering gaat om schulden die betrekking hebben op kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Tijdens de zitting hebben partijen verklaard dat, tot aan het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst, zowel de man als de vrouw gebruik maakten van de Mini Cooper. Uit de stukken van de man blijkt ook dat zowel de man als de vrouw leasetermijnen hebben betaald. Dit zijn samen met het feit dat de leaseovereenkomst op naam staat van beide partijen staat voldoende aanknopingspunten om de kosten van de Mini Cooper (bestaande uit leasetermijnen, wegenbelasting en verzekeringspremie) te beschouwen als kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
3.40.
Uit artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen naar evenredigheid van hun netto jaarinkomen uit arbeid moeten bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Vast staat dat de man als kaakchirurg veel meer verdiende dan de vrouw. De man heeft in totaal € 35.572,29 aan kosten betaald voor de auto. De vrouw heeft in totaal € 5.048,28 aan leasetermijnen betaald. De man heeft geen informatie overgelegd over zijn netto jaarinkomens in de periode waarin partijen de auto leaseden, terwijl hij daar wel de gelegenheid voor heeft gehad. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of deze kostenverdeling naar evenredigheid van het netto jaarinkomen uit arbeid van partijen is. Dat komt voor rekening en risico van de man, omdat hij eist dat de vrouw alsnog een groter deel van de kosten van de auto betaalt.
3.41.
Het beroep van de man op onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking slaagt ook niet, omdat hij daarvoor te weinig stelt. Bij een beoordeling van een eventueel recht op betaling op grond van onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking gelden de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst namelijk net zo goed. Zoals hiervoor is uitgelegd, heeft de man te weinig informatie overgelegd om de afspraken uit de samenlevingsovereenkomst op zo’n manier uit te leggen dat de vrouw de gevraagde bedragen moet betalen.
De vrouw hoeft geen kosten te vergoeden voor het plaatsen van nieuwe veiligheidscilinders in de voormalige woning
3.42.
De man heeft uitgelegd dat de vrouw sleutels van de woning van de man had en die niet terug wilde geven. Hij heeft tijdelijk andere sloten geplaatst, maar wilde ook nog een kostenvergoeding voor nog te plaatsen nieuwe veiligheidscilinders in zijn woning. Inmiddels is de woning van de man op 8 mei 2025 via een executieveiling verkocht. Tijdens de zitting heeft hij aangegeven dat zijn stellingen over de huissleutel niet meer relevant zijn. De man heeft ook niet aangegeven dat hij op enig moment daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor nieuwe veiligheidscilinders. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
De vrouw moet de lening in verband met de vakantiewoning in Italië terugbetalen
3.43.
De man wil dat de vrouw een lening aan hem terugbetaalt van in totaal € 121.129,58, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 31 december 2023. De man heeft dit bedrag naar eigen zeggen vanaf 2006-2007 geleend aan de vrouw voor het afbouwen en de inrichting van een vakantiewoning in Italië (door partijen ook aangeduid als appartement), dat zij eerst in vruchtgebruik heeft verkregen en later heeft geërfd van haar vader. De rechtbank wijst deze vordering toe en legt dat hierna uit.
3.44.
De man onderbouwt deze vordering met een kopie van de leningsovereenkomst die is gedateerd op 20 april 2014. Daarop staan handtekeningen van de man en de vrouw. In de leningsovereenkomst is onder andere bepaald dat de lening opeisbaar is bij het verbreken van de relatie door de vrouw. Daarnaast onderbouwt hij zijn vordering met foto’s, waarop de vakantiewoning in aanbouw zichtbaar is, net als de geplaatste keuken en badkamer. Verder heeft hij, naast de leningsovereenkomst zelf, een gedetailleerde Excellijst ingediend van alle uitgaven die tussen februari 2007 en september 2012 zijn gedaan voor het afbouwen en inrichten van de vakantiewoning.
3.45.
De vrouw betwist dit alles, [18] maar spreekt zichzelf op twee punten tegen:
a. Volgens de ingediende stukken heeft de man geïnvesteerd in de afbouw van de vakantiewoning. Letterlijk schrijft de vrouw: “De man heeft de wens geuit om dat appartement naar zijn inzichten af te bouwen. Die wens heeft hij doorgevoerd.” en “De man verdiende destijds enorm veel geld en besloot zelf geld te investeren in de afbouw van de vakantiewoning, (…)”. Tijdens de zitting beweerde de vrouw iets anders, namelijk dat de afbouw van de vakantiewoning in het bestek viel, dat de woning alleen nog maar ingericht hoefde te worden en dat de verbouwing alleen nog maar bestond uit het verlagen van twee plafonds.
De vrouw geeft aan dat zij nooit geld heeft geleend van de man en schrijft in de conclusie van antwoord van 7 juni 2024: “Dit contract ziet ze bij de CvA van de man voor het eerst. De man heeft er nooit over gesproken met de vrouw.” Dat is feitelijk onjuist, want bij de lijst met zoektermen bij het verzoekschrift van 19 maart 2024 (voor het leggen van bewijsbeslag) wordt al de zoekterm “Schuld [eiser] Italië” genoemd. [19] Kennelijk was de vrouw er op 19 maart 2024 al van op de hoogte dat zij een schuld had die te maken had met de vakantiewoning in Italië.
3.46.
Naast deze tegenstrijdige verklaringen heeft de vrouw ook nagelaten te onderbouwen waar het geld voor de inrichting en verbouwing dan wel vandaan kwam. Tijdens de zitting heeft zij verklaard dat de verbouwing deels met eigen geld is betaald en deels door haar ouders, maar zij heeft dat verder niet onderbouwd met stukken, terwijl zij daar wel de gelegenheid voor heeft gehad.
3.47.
De vrouw geeft verder aan dat de handtekening op de overeenkomst niet van haar is. Daar gaat de rechtbank niet in mee, want de handtekening is visueel hetzelfde als de handtekening van de vrouw onder de leaseovereenkomst van de Mini Cooper. [20] Dat is ook besproken tijdens de zitting. Alleen de tweede voorletter [voorletter] , die niet officieel is maar de vrouw naar eigen zeggen soms gebruikte, mist. Zelfs als dit zou betekenen dat de vrouw stellig ontkent dat de handtekening van haar is, betekent dit niet dat terugbetaling moet worden afgewezen. De man onderbouwt het bestaan van de leningsovereenkomst namelijk ook op andere manieren: met het gedetailleerde overzicht van de kosten en met de foto’s van de vakantiewoning en de verbouwing. Bovendien was de vrouw zelf ook op de hoogte van een schuld van haar vanwege de vakantiewoning in Italië (zie randnummer 3.45.b.).
3.48.
De vrouw beroept zich daarnaast op verjaring, maar dat slaagt niet. De leningsovereenkomst was voor onbepaalde tijd aangegaan, zodat de verjaringstermijn van vijf jaar pas gaat lopen vanaf het moment waarop de man heeft meegedeeld dat hij de lening opeist. [21] Volgens de vrouw is het eerste moment waarop de man de lening heeft opgeëist deze procedure, namelijk in zijn conclusie van antwoord met eis in reconventie van 24 april 2024. Zijn vordering is daarom niet verjaard.
3.49.
Ten slotte vraagt de vrouw om de vordering af te wijzen op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zij legt dat verder niet uit, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat. Er is in ieder geval geen sprake van omstandigheden waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de vrouw de lening moet terugbetalen.
De vrouw moet haar eigen risico bij CZ betalen, maar niet de bijkomende kosten
3.50.
De vrouw moet haar eigen risico ter hoogte van € 385,00 (met wettelijke rente) betalen waarvoor de man een factuur heeft gekregen. De man heeft een gedetailleerde specificatie van die zorgkosten overgelegd waaruit blijkt dat deze kosten zijn gemaakt voor de vrouw. Er staat namelijk boven: “Nota overzicht van Mevr. [eiser] (26-01-1982) voor het jaar: 2023”. De zorgkosten gemaakt na het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst op 23 mei 2023 komen sowieso voor rekening van de vrouw. De kosten die zijn gemaakt voor die datum zijn op grond van artikel 5 lid 1 sub e van de samenlevingsovereenkomst kosten van de gemeenschappelijke huishouding. In randnummer 3.24.b. is al uitgelegd dat deze kosten voor rekening van de vrouw komen.
3.51.
Alle kosten boven € 385,00 (plus wettelijke rente) zijn voor rekening van de man, want het komt voor zijn rekening en risico dat hij deze factuur tot op heden onbetaald heeft gelaten. Als hij de factuur wel op tijd had betaald, waren de kosten niet zo opgelopen. Dat hij op zitting heeft verklaard dat hij niet kon betalen, betekent niet dat deze bijkomende kosten voor rekening van de vrouw komen. De man hoefde namelijk niet te betalen, maar hij had de rekening direct door moeten sturen aan de vrouw zodat de schuld zou worden voldaan (en uit niets blijkt dat hij dat heeft gedaan).
3.52.
De man is naar aanleiding van deze factuur bezorgd over een eventuele BKR-registratie en wil dat de vrouw bij voorbaat wordt verplicht om deze BKR-registratie te verwijderen. Dat wijst de rechtbank af, omdat de man daar op dit moment geen belang bij heeft. De man heeft namelijk niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk een BKR-registratie heeft of gaat krijgen naar aanleiding van deze onbetaalde factuur. Bovendien kan het niet worden toegewezen omdat de vrouw dit simpelweg niet kan.
De vrouw moet de rekening van T-Mobile/Odido betalen
3.53.
Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij snel na het beëindigen van de samenlevingsovereenkomst een telefoonabonnement bij een andere provider heeft afgesloten. Omdat zij nog een lopend abonnement had bij T-Mobile (inmiddels Odido), heeft T-Mobile daarvoor € 172,84 aan schadevergoeding in rekening gebracht bij de man (omdat het abonnement op zijn naam stond). Dat komt voor rekening van de vrouw. Zij stelt in de stukken weliswaar dat de rekening op naam staat van de man, maar uit de specificatie van de factuur blijkt dat het gaat om een rekening die betrekking heeft op haar telefoonnummer (eindigend op [telefoonnummer] ). Tijdens de zitting heeft de vrouw dat ook bevestigd.
3.54.
Voor deze factuur moet de vrouw wel alle bijkomende kosten betalen. Uit de stukken van de man blijkt immers dat hij deze rekening op 15 september 2023 aan de vrouw heeft gestuurd en dat de vrouw daar dezelfde dag nog (afwijzend) op heeft gereageerd. Daarom moet de vrouw in ieder geval het openstaande bedrag van € 202,14 betalen, plus alle bijkomende kosten zoals incassokosten en rente.
3.55.
De man wil daarnaast dat de vrouw de vermelding van de man bij Stichting Preventel laat doorhalen. De vrouw heeft hier geen verweer tegen gevoerd, dus de rechtbank wijst deze vordering toe.
De vrouw moet alle handelaren met wie zij contact heeft gehad over de sieraden informeren
3.56.
Kort na het beëindigen van de affectieve relatie heeft de vrouw contact gehad met diverse kunsthandelaren over een mogelijke verkoop van de sieraden door de man. Het is niet duidelijk hoe deze contacten precies zijn verlopen, want de vrouw heeft hier tegenstrijdig over verklaard. In haar conclusie van antwoord in reconventie staat: “De vrouw heeft geen handelaren bedreigd. Ze heeft enkel gevraagd om haar te contacteren als de man bij die handelaren aanklopt voor verkoop van haar sieraden.” [22] Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij alleen ongevraagd is benaderd door de kunsthandelaren. In ieder geval is vast komen te staan dat de vrouw heeft gecommuniceerd met kunsthandelaren over een eventuele verkoop van kostbaarheden, waaronder de sieraden die zijn besproken in randnummer 3.6. tot en met 3.14. van dit vonnis (de sieraden die worden genoemd in het verzoekschrift van 15 december 2023). Vanwege deze communicatie zijn deze sieraden ‘besmet’ en willen de handelaren deze niet aan- of verkopen.
3.57.
Omdat in deze procedure vast is komen te staan dat de sieraden voor het grootste deel eigendom zijn van de man (met uitzondering van de sieraden genoemd in randnummer 4.3. van de beslissing), moet de vrouw alle handelaren met wie zij hier passief of actief contact over heeft gehad – op welke wijze dat ook is geweest – laten weten dat de sieraden niet langer ‘besmet’ zijn, dat het de handelaren vrij staat om deze te aan- en verkopen, en dat het hen ook verder vrij staat om zaken te doen met de man, bijvoorbeeld voor handel in andere kostbaarheden.
3.58.
Hieruit volgt ook dat de vrouw onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de man door hem te belemmeren bij het kunnen verkopen van zijn sieraden en dat feitelijk onmogelijk te maken, zoals de man heeft aangevoerd. Daardoor heeft de man (een deel van) zijn grote schulden niet af kunnen lossen, waardoor renteschade en andere bijkomende schade is ontstaan zoals incassokosten. Mogelijk heeft dat er ook toe bijgedragen dat de woning executoriaal is verkocht en er beslag is gelegd op zijn AOW en pensioen. De vordering van de man tot schadevergoeding vanwege dit onrechtmatig handelen en verwijzing naar een aparte procedure waarin kan worden bepaald hoe groot die schade precies is (een schadestaatprocedure), is dan ook toewijsbaar. De vrouw heeft, behalve het argument dat de sieraden van haar zijn, niets ingebracht tegen deze vordering van de man.
3.59.
Wel wijst de rechtbank het deel van de vordering af waarin de man vraagt om schadevergoeding binnen een periode van twee weken of een periode die de rechtbank juist acht. Bij een verwijzing naar de schadestaatprocedure is het namelijk per definitie onzeker hoe hoog de schade is. Het is zelfs mogelijk dat in een schadestaatprocedure blijkt dat de schade nihil is. Er valt daarom op dit moment niets te vergoeden. Het is de keuze van de man geweest om de schade niet direct te begroten, maar de rechtbank om verwijzing naar een aparte schadestaatprocedure te vragen.
Dwangsommen
3.60.
De man heeft gevraagd om de vrouw te veroordelen tot het informeren van de handelaren op straffe van een zeer hoge dwangsom van € 25.000,00 per dag met een maximum van € 1.000.000,00. Ook heeft de man gevraagd om een dwangsom op te leggen bij de veroordeling tot het opheffen van het beslag (€ 5.000,00 per dag met een maximum van € 75.000,00). Zoals overwogen in randnummer 3.31. geeft het procesgedrag van partijen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom, als sterke prikkel om de veroordeling na te komen. De rechtbank zal daarom aan de man dezelfde dwangsommen opleggen als de vrouw en bepaalt deze op € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. De gevorderde dwangsom voor het laten doorhalen van de vermelding van de man bij Stichting Preventel (€ 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00) zal de rechtbank toewijzen zoals gevorderd.
De tegenvorderingen rondom het vakantiehuis in Italië
3.61.
De man wil dat de vrouw aan hem een sleutel geeft van het vakantiehuis in Italië. Dat wijst de rechtbank af. Zoals overwogen in randnummer 3.25. en 3.26. gaat de inboedel van het vakantiehuis in Italië naar de man. Daarvoor is het niet nodig dat de man een sleutel van de woning krijgt. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij ervoor zal zorgen dat iemand de man toegang zal verlenen tot de inboedel, zodat hij die op kan (laten) halen. Dat is voldoende. Partijen hebben ook toegezegd dat zij de praktische zaken rondom het ophalen van de inboedel regelen via hun advocaten. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich houden aan deze afspraken.
3.62.
De volgende vordering van de man ziet op het ophalen van de inboedel. Deze vordering is al beoordeeld in conventie (zie randnummer 3.25. en 3.26.) en wordt toegewezen (zie randnummer 4.7.). Wel wijst de rechtbank de vordering af voor zover die ziet op het kunnen ophalen van de inboedel zonder aanwezigheid van de vrouw of van personen die namens de vrouw aanwezig zijn. Het is immers noodzakelijk dat iemand namens de vrouw toegang verschaft tot de inboedel.
3.63.
Omdat partijen het verder eens zijn over deze vordering, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevraagde dwangsom op te leggen.
in conventie en reconventie
De vrouw en de man dragen hun eigen proceskosten
3.64.
De vorderingen van de vrouw en de man waarin zij vragen om de andere partij te veroordelen in de proceskosten, worden afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke proceskostenveroordeling in procedures die worden gevoerd na het beëindigen van een affectieve relatie. In zulke procedures worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De door de man gestelde omstandigheden zijn onvoldoende om van deze hoofdregel af te wijken. Dit betekent dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.65.
De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad, zoals partijen hebben gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
bepaalt dat de zaken, genoemd in de randnummers 33, 38, 41, 42, 43, 44 (met uitzondering van de persoonlijke boeken van de man), 45 (met uitzondering van de vier Alessi-trommels), 50 en 52 van de grosse het verzoekschrift van 15 december 2023, zonder verrekening worden toebedeeld aan de vrouw, waarbij de gerechtelijk bewaarder [bedrijf] B.V. gehouden is deze zaken aan de vrouw te overhandigen,
4.2.
bepaalt dat de persoonlijke boeken van de man en de genoemde vier Alessi‑trommels zonder verrekening worden toebedeeld aan de man, waarbij de gerechtelijk bewaarder [bedrijf] B.V. gehouden is deze zaken aan de man te overhandigen,
4.3.
veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van:
  • i) de nerts bontjas genoemd in randnummer 31 van het verzoekschrift van 15 december 2023,
  • ii) de Louis Vuitton-tas, het zilveren halssnoer en de slavenband genoemd in randnummer 32 van dat verzoekschrift,
  • iii) de Tiffany-set bestaande uit oorbellen, kort kettinkje met hanger en lange ketting met medaillon, diamantjes wit en blauw, genoemd in randnummer 35 van dat verzoekschrift,
  • iv) de gouden ring met amethist en diamanten en de gouden oorbellen, zichtbaar op de tweede foto op de tweede pagina van productie 26 bij dat verzoekschrift (waar bladzijdenummer ‘41’ zichtbaar is) en genoemd in randnummer 37 van dat verzoekschrift,
alles tegen behoorlijk bewijs van kwijting en in aanwezigheid van Yards Deurwaarders, binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis,
4.4.
veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de gearceerde zaken op productie 5 bij de dagvaarding, met uitzondering van de kleine Bric-trolley van zacht (nep)leer,
4.5.
bepaalt dat de Mini Cooper wordt toebedeeld aan de vrouw,
4.6.
veroordeelt de man tot afgifte van de reservesleutel van de Mini Cooper aan de vrouw binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis,
4.7.
veroordeelt de man om de inboedel van de vakantiewoning in Italië, zoals vermeld op de laatste twee pagina’s van productie 5 bij de dagvaarding, binnen zes weken na de datum van dit vonnis te laten ophalen,
4.8.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordelingen in randnummer 4.3. of 4.4. voldoet, vanaf veertien dagen na het moment waarop de man weer kan beschikken over de genoemde zaken zoals overwogen in randnummer 3.2., tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
4.9.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling in randnummer 4.6. voldoet, vanaf veertien dagen na het moment waarop de man weer kan beschikken over de reservesleutel zoals overwogen in randnummer 3.2., tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
4.10.
veroordeelt de man in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.159,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
4.11.
heft het namens de vrouw gelegde beslag van 20 december 2023 op,
4.12.
verbiedt de vrouw om met het beslagverlof van 15 december 2023 opnieuw conservatoir beslag te leggen,
4.13.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 6.689,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.14.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 121.129,58, jaarlijks te vermeerderen met 6% rente over het toegewezen bedrag, voor het eerst per 31 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.15.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.16.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 202,14 met alle bijkomende kosten (zoals incassokosten en in rekening gebrachte rente), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.17.
veroordeelt de vrouw om de vermelding van de man bij Stichting Preventel te laten doorhalen,
4.18.
veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis de handelaren schriftelijk te berichten dat het hen vrij staat om weer zaken voor de man te mogen verkopen of kopen en/of van en/of aan de man te mogen verkopen of verkopen,
4.19.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen in randnummer 4.12. of 4.18. voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
4.20.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling in randnummer 4.17. voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
4.21.
veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag aan schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
in conventie en reconventie
4.22.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.23.
verklaart de beslissingen genoemd onder nummer 4.1. tot en met 4.22. uitvoerbaar bij voorraad,
4.24.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.

Voetnoten

1.Dit stuk bevat ook een reactie op de conclusie van antwoord van de man (de ‘conclusie van repliek’). Tijdens de regiezitting van 4 juli 2024 is bepaald dat dit gedeelte buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat de vrouw geen toestemming heeft gekregen voor het indienen van een conclusie van repliek.
2.Productie P2 bij de dagvaarding. Bij dit verzoekschrift zitten 38 producties met foto’s van de betreffende zaken. De rechtbank verwijst verder naar deze 38 producties als subproducties en hanteert dezelfde nummering als het verzoekschrift.
3.Rechtbank Midden-Nederland, vonnis van 14 maart 2025, zaaknummer C/16/588 175 / KL ZA 25‑26 (productie 31 van de man).
4.Conclusie van antwoord, randnummer 33. Bij erkenning van toedeling aan de vrouw van de zaken genoemd onder nummer 38 maakt de man het voorbehoud ‘voor zover deze door het beslag getroffen zijn’. In de verklaring van Yards deurwaardersdiensten van 20 december 2023, waarin de beslagen zaken worden opgesomd, worden alle zaken genoemd onder nummer 38 vermeld. De rechtbank wijst deze zaken dus toe zonder voorbehoud.
5.Conclusie van antwoord, randnummer 72-74.
6.Zie artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW).
7.Conclusie van antwoord, randnummer 36-38.
8.Doordat de stukken in zwart-wit zijn ingediend, is de arcering niet geel, maar lichtgrijs in de stukken die de rechtbank heeft ontvangen.
9.Conclusie van antwoord, randnummer 72.
10.Namelijk bij akte van 31 juli 2024, productie 22, en bij akte van 30 oktober 2024, productie 24, subproductie 3.
11.Conclusie van antwoord, productie 7.
12.Dagvaarding, productie 8.
13.Het gaat dan om de laatste twee bladzijden van productie 5, onder de kop ‘INBOEDEL ITALIE’.
14.Rechtbank Midden-Nederland, vonnis van 14 maart 2025, zaaknummer C/16/588 175 / KL ZA 25‑26, randnummer 2.17 en 3.1.
15.Artikel 706 Rv.
16.Rechtbank Midden-Nederland, vonnis van 14 maart 2025, zaaknummer C/16/588 175 / KL ZA 25‑26, randnummer 3.3.
17.Rechtbank Midden-Nederland, vonnis van 14 maart 2025, zaaknummer C/16/588 175 / KL ZA 25‑26 (productie 31 van de man).
18.Conclusie van antwoord in reconventie (van 7 juni 2024), randnummer 49 en akte reactie op akte overlegging producties van 23 juni 2024 (van 31 juli 2024), randnummer 12.
19.Akte eisvermeerdering en conclusie van antwoord in reconventie (van 7 juni 2024), producties P16-P18.
20.Dagvaarding, productie 6.
21.Artikel 3:307 lid 2 Rv.
22.Conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 51.