Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:3153

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
1 juli 2025
Zaaknummer
11613261
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder vordert ontruiming zoon uit woning; kantonrechter wijst vordering toe

In deze zaak vordert een moeder dat haar meerderjarige zoon de woning die zij huurt verlaat. De zoon woont bij haar in, maar is geen medehuurder en verblijft zonder recht of titel in de woning. Hij weigert te vertrekken omdat hij geen andere woning kan vinden.

De kantonrechter oordeelt dat het feit dat de zoon een baan heeft met een netto inkomen tussen €2.400 en €2.900 per maand hem in staat stelt een eigen woning of kamer te huren, ook al is de woningmarkt gespannen. Hoewel de zoon pas twee jaar staat ingeschreven bij een woningcorporatie en daardoor nog niet in aanmerking komt voor sociale huur, wordt van hem verwacht dat hij ook in de vrije sector of omliggende gemeenten zoekt.

De kantonrechter houdt rekening met de moeder-kindrelatie en de lange periode dat de zoon bij zijn moeder woont, en kent daarom een ruime ontruimingstermijn toe tot 1 september 2025. Beschuldigingen van agressief gedrag worden onvoldoende onderbouwd geacht. De vordering tot machtiging van deurwaardersontruiming wordt afgewezen omdat dit wettelijk al geregeld is.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 2 juli 2025 uitgesproken door de kantonrechter.

Uitkomst: De zoon wordt veroordeeld om uiterlijk 1 september 2025 de woning van zijn moeder te verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11613261 \ MC EXPL 25-1711
Vonnis van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.S. Franken,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 maart 2025 met producties 1-5;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van [eiser] met foto’s;
- de brief van [eiser] met een aanvullende productie;
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] is de zoon van [eiser] en woont bij haar in de woning. [eiser] wil dat hij de woning verlaat. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij wil in de woning blijven wonen, omdat hij geen andere woning kan vinden.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de woning uiterlijk op 1 september 2025 moet ontruimen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen.

3.De beoordeling

3.1.
[eiser] huurt een woning aan de [adres] in [plaats] . Haar zoon, [gedaagde] , woont bij haar in. [eiser] stelt dat de spanningen tussen haar en haar zoon de laatste tijd oplopen en vordert dat [gedaagde] de woning ontruimt.
3.2.
[gedaagde] is 26 jaar oud en dus meerderjarig. Hij is geen medehuurder. Omdat [eiser] niet meer wil dat [gedaagde] bij haar inwoont, verblijft hij zonder recht of titel in de woning. Dit betekent dat hij de woning moet verlaten als [eiser] dat wenst. Dat het voor [gedaagde] moeilijk is om in de huidige woningmarkt een eigen woning te vinden, is begrijpelijk. Maar dit betekent niet dat hij daarom een recht heeft om toch in de woning van [eiser] te blijven wonen. Bovendien heeft [gedaagde] een baan, waarmee hij tussen de € 2.400,- en € 2.900,- netto per maand verdient (dat heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard). Met dit inkomen mag hij in staat worden geacht om zelf een woning of kamer te kunnen huren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] slechts twee jaar staat ingeschreven bij een woningcorporatie en daarom nog niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Maar dit komt niet voor rekening van [eiser] . Bovendien mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij, zolang hij op de wachtlijst staat, een woning of kamer in de vrije sector zoekt. Het mag zo zijn dat dit met zijn huidige inkomen in Almere moeilijk is, maar [gedaagde] kan ook zoeken in omliggende steden en dorpen zoals Lelystad, Dronten of Zeewolde. De conclusie is dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om de woning te ontruimen.
3.3.
Bij het bepalen van de ontruimingstermijn zal de kantonrechter ten eerste rekening houden met het feit dat het gaat om een moeder-kindrelatie en het feit dat [gedaagde] bij zijn moeder heeft gewoond sinds hij een kind is, met een tussenliggende periode waarin hij bij zijn vader heeft gewoond. Ook in de overspannen woningmarkt ziet de kantonrechter reden om een ruime ontruimingstermijn toe te passen. [eiser] stelt dat [gedaagde] agressief is en het daarom onverantwoord is een lange ontruimingstermijn toe te kennen. Daaraan heeft zij onvoldoende handen en voeten gegeven. Niet gebleken is dat [gedaagde] [eiser] ooit fysiek heeft belaagd. [eiser] heeft gesteld dat het op fysiek geweld kan uitdraaien, maar dat heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [gedaagde] wel eens met een deur heeft geslagen en [gedaagde] en de hond van [eiser] niet goed met elkaar kunnen omgaan, is daarvoor onvoldoende. Alles afwegende zal de kantonrechter de ontruimingsdatum bepalen op 1 september 2025.
3.4.
[eiser] heeft gevorderd dat de ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd. Die vordering zal worden afgewezen. De wet schrijft namelijk al voor dat de gedwongen ontruiming gebeurt door een deurwaarder. Daarvoor is geen aanvullende veroordeling of machtiging van de kantonrechter nodig. Als [gedaagde] de woning niet zelf verlaat, dan zal [eiser] na betekening van dit vonnis op grond van de wet (artikelen 555 en verder, in samenhang met artikel 444 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering) de deurwaarder in moeten schakelen om [gedaagde] te dwingen de woning te ontruimen.
3.5.
[eiser] heeft ook een voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure gevorderd als bedoeld in artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op deze vordering hoeft niet te worden beslist, omdat dezelfde vordering ook in de hoofdzaak is ingesteld en daarop in deze uitspraak wordt beslist.
3.6.
Omdat partijen familieleden in rechte lijn zijn, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [plaats] uiterlijk op 1 september 2025 te ontruimen en te verlaten met afgifte van de sleutels aan [eiser] en met medeneming van zijn persoonlijke eigendommen;
4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
45353