Eiser, houder van een seizoenkaart voor Ajax, kreeg na een wedstrijd op 6 maart 2025 een stadionverbod van 12 maanden en een boete van €450 opgelegd door de KNVB wegens het gooien van een bierbeker tijdens een vreugde-uitbarsting. Eiser betwistte het verbod als disproportioneel en onterecht, en startte een kort geding om schorsing van het verbod te verkrijgen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat eiser een spoedeisend belang heeft bij schorsing omdat het verbod hem belemmert het stadion te bezoeken. De KNVB baseerde het verbod op haar standaardvoorwaarden en richtlijnen, waarbij het gooien van voorwerpen met een minimumstraf van 12 maanden wordt bestraft. De rechter oordeelde dat de procedure voldoende rechtswaarborgen biedt en dat het beroep van eiser op schending van hoor en wederhoor ongegrond is.
De rechtbank stelde vast dat de gedraging van eiser niet opzettelijk was, maar een onbewust vreugdebiertje betrof. De opgelegde straf staat in schril contrast met andere, ernstiger gedragingen die een lagere straf krijgen. De rechter acht het daarom waarschijnlijk dat de bodemrechter het stadionverbod als disproportioneel zal beoordelen. De schorsing van het verbod wordt per 4 juli 2025 uitgesproken, gelijk aan drie maanden vanaf de ingangsdatum van het verbod.
De KNVB wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente, maar de gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat de KNVB vrijwillig aan het vonnis zal voldoen. Er wordt geen termijn gesteld voor het instellen van een bodemprocedure.