De kantonrechter Midden-Nederland oordeelde dat de werkgever de tijdelijke arbeidsovereenkomst van de werknemer niet tussentijds mocht beëindigen. Hoewel de werkgever zich beroept op een wanprestatie en een contractueel beding voor tussentijdse opzegging, is dit beding ongeldig omdat het alleen de werkgever deze mogelijkheid biedt, wat in strijd is met de wet. Ook ontbrak een dringende reden voor ontslag op staande voet.
De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met een opzegtermijn van één maand, maar zonder wettelijke of contractuele grondslag. De werknemer berustte in het einde van het dienstverband, maar de werkgever is daardoor schadeplichtig. De kantonrechter matigde de schadevergoeding tot een bedrag gelijk aan vier maanden loon, rekening houdend met omstandigheden zoals de korte duur van het dienstverband, de jonge leeftijd van de werknemer en haar goede kansen op de arbeidsmarkt.
De transitievergoeding werd door de werkgever correct berekend over de feitelijke duur van het dienstverband en het verzoek tot verhoging werd afgewezen. Verzoeken tot vergoeding van werkelijke advocaatkosten en buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten binnen veertien dagen.