De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij een ouder met gezag. De kinderrechter had op 20 juni 2025 een spoedmachtiging verleend voor twee weken, waarna de GI verzocht om een verlenging van vier weken en aansluitend een machtiging voor vier maanden.
Het mondelinge spoedverzoek werd buiten kantooruren telefonisch ingediend op 20 juni 2025 en direct mondeling toe- of afgewezen. Volgens het Procesreglement Civiel Jeugdrecht moest dit verzoek schriftelijk bevestigd worden op de eerstvolgende werkdag vóór 12.00 uur. De schriftelijke bevestiging werd echter pas dertien dagen later, op 3 juli 2025, ingediend. Hierdoor hadden partijen onvoldoende gelegenheid om zich te beraden en hun mening te geven tijdens de zitting van 4 juli 2025.
De kinderrechter oordeelde dat een ordentelijke behandeling niet mogelijk was en verklaarde de GI niet-ontvankelijk in het spoedverzoek. De beslissing van 20 juni 2025 verviel daarmee. Het verzoek tot machtiging voor vier maanden werd aangehouden en zal op een later moment worden behandeld. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.