ECLI:NL:RBMNE:2025:3273

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
C/16/584968 / JE RK 24-1932
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die momenteel in een pleeggezin verblijft. De kinderrechter heeft eerder op 6 december 2024 de machtiging verlengd tot 28 mei 2025 en moest nu beslissen over het aangehouden deel van het verzoek.

De gecertificeerde instelling (GI) handhaaft het verzoek tot verlenging voor de duur van de ondertoezichtstelling. De ouders willen dat de minderjarige terugkeert, maar wonen niet samen en voldoen niet aan de gestelde voorwaarden, zoals basale verzorging, hulpverlening accepteren, relatie tussen ouders en drugsgebruik van de vader.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De situatie van de ouders is onvoldoende stabiel, zij hebben diverse kwetsbaarheden waaronder een laag IQ, licht verstandelijke beperking, bewindvoering en drugsgebruik. De GI acht de opvoedcapaciteiten beneden het vereiste minimumniveau en een perspectiefonderzoek wordt niet passend geacht.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 22 oktober 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 22 oktober 2025 vanwege onvoldoende stabiele thuissituatie en onvoldoende opvoedcapaciteiten van de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/584968 / JE RK 24-1932
Datum uitspraak: 26 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (aangehouden) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Daniels,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.J. Daniels.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In deze zaak heeft de kinderrechter op 6 december 2024 een tussenbeschikking gegeven. In deze beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 28 mei 2025. De beslissing over het overige deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter aangehouden. Voor het procesverloop tot 6 december 2024 verwijst de kinderrechter naar de hiervoor genoemde tussenbeschikking.
1.2.
Nadien is nog een bericht van de GI met bijlagen binnengekomen. Deze heeft de rechtbank ontvangen op 2 mei 2025.
1.3.
Op 25 mei 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
  • mevrouw [A] , namens de GI;
  • mevrouw [B] , een begeleider van de moeder vanuit [plaats] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2025.
2.4.
Bij beschikking van 6 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 28 mei 2025, met aanhouding voor het overige. Op het aangehouden deel moet de kinderrechter nu nog beslissen.

3.Het verzoek

3.1.
De GI handhaaft het verzoek met betrekking tot de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.Het standpunt van de ouders

4.1.
De advocaat van de ouders refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De ouders willen dat [minderjarige] weer bij hen komt wonen. Op dit moment wonen zij niet samen, maar als er besloten wordt dat [minderjarige] terug kan naar huis dan kunnen de ouders samen, met [minderjarige] , terecht bij Parkwijk. De ouders hebben de spullen in huis die nodig zijn voor [minderjarige] en willen graag zelf voor hem zorgen. Namens de advocaat is ook aangevoerd dat het voor de ouders goed zal zijn als het perspectiefonderzoek wordt uitgevoerd. Op die manier kan er wellicht acceptatie ontstaan in het feit dat zij ouder op afstand zullen worden, ondanks dat zij het liever anders zien.

5.De beoordeling

Beslissing
5.1.
De kinderrechter wijst het aangehouden deel van het verzoek toe. Dat betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verlengd tot 22 oktober 2025. De kinderrechter zal deze beslissing hierna uitleggen.
Toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.3.
Op dit moment ontwikkelt [minderjarige] zich goed in het pleeggezin. De GI maakt zich nog steeds ernstige zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de ouders. Het lukt de ouders onvoldoende om zich te houden aan de door de GI gestelde voorwaarden. Dit zijn voorwaarden die zien op 1) de basale verzorging van [minderjarige] , 2) het accepteren van hulpverlening, 3) de relatie van ouders en 4) het drugsgebruik van de vader. De GI is van mening dat de ouders onvoldoende leerbaar zijn om aan deze voorwaarden te voldoen en acht hun opvoedcapaciteiten beneden het vereiste minimumniveau. De GI is daarom van mening dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dient te worden. Ook vindt de GI dat er gekeken moet worden hoe groot de rol van de ouders kan zijn in het leven van [minderjarige] . De ouders hebben op dit moment omgang met [minderjarige] en dit verloopt goed. De GI is echter van mening dat [minderjarige] niet meer terug kan naar de ouders. Het opstarten van een perspectiefonderzoek vindt de GI daarom niet passend. Dit zou dan enkel ingezet worden voor de acceptatie van ouders en niet om de beslissing over het perspectief te nemen. Daarvoor is een perspectiefonderzoek niet bedoeld. De GI wil wel een instrument inzetten om te kijken hoe groot de rol van de ouders kan zijn in het leven van [minderjarige] .
5.4.
In de vorige beschikking is opgenomen dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat er een perspectiefonderzoek zal plaatsvinden. Het verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is om die reden deels aangehouden, in afwachting van de resultaten van de bevindingen van het perspectiefonderzoek. Dit onderzoek is nog niet uitgevoerd en de GI is ook niet voornemens dat alsnog te doen. De GI heeft de kinderrechter ter zitting gevraagd daar haar goedkeuring aan te geven en zich uit te laten over het al door de GI genomen perspectiefbesluit. Dit is niet van tevoren aangekondigd en zo het de rechter al vrijstaat een oordeel te vellen over het perspectiefbesluit (daar schijnen de meningen over uiteen te lopen) wordt dit doorgaans niet enkelvoudig gedaan. De kinderrechter gaat in beginsel evenmin over het door de GI te voeren beleid. Pas als een geschil daarover wordt voorgelegd via de zogenoemde geschillenregeling kan de kinderrechter daar een beslissing in nemen. Of de GI een perspectiefonderzoek gaat uitvoeren is dus aan de GI, maar de kinderrechter kan zich voorstellen dat de GI daarvan afziet als het perspectief van [minderjarige] al door de GI is vastgesteld. De kinderrechter is het overigens met de GI eens dat een perspectiefonderzoek niet als doel heeft draagvlak voor het besluit tot niet terugplaatsen te creëren. Mochten de ouders toch een perspectiefonderzoek wensen dan kunnen zij dit middels de geschillenregeling aan de kinderrechter voorleggen.
5.5.
Voor nu zal de kinderrechter zich enkel richten op de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat deze verlengd dient te worden. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat niet aannemelijk is dat de ouders aan de gestelde voorwaarden voor terugplaatsing kunnen gaan voldoen. De situatie van de ouders is onvoldoende stabiel en zij wonen ook niet meer samen. De rechtbank ziet de kwetsbaarheden die beide ouders hebben. Zij hebben beiden een belaste jeugd gehad en daarnaast is er onder andere sprake van een laag IQ bij de vader, een licht verstandelijke beperking bij de moeder, staat de vader onder bewind en is er sprake van drugsgebruik door de vader. Dit zijn allemaal kwetsbaarheden die maken dat de ouders zich niet zelfstandig kunnen handhaven maar begeleid wonen. Om voor een kind te kunnen zorgen is wel zaak dat ouders in staat zijn om voor zichzelf te kunnen zorgen. Dat kunnen zij niet zonder hulp en de kinderrechter acht hen dus vooralsnog ook niet in staat om [minderjarige] op te voeden.
De kinderrechter ziet wel twee ouders die hun best doen en van [minderjarige] houden, maar op dit moment lukt het hun niet om een grotere rol in het leven van [minderjarige] te spelen. De machtiging tot uithuisplaatsing zal daarom verlengd worden voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 oktober 2025.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2025 door mr. M.A.A.T. Engbers, kinderrechter, in aanwezigheid van I. Stooker als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.