De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die momenteel in een pleeggezin verblijft. De kinderrechter heeft eerder op 6 december 2024 de machtiging verlengd tot 28 mei 2025 en moest nu beslissen over het aangehouden deel van het verzoek.
De gecertificeerde instelling (GI) handhaaft het verzoek tot verlenging voor de duur van de ondertoezichtstelling. De ouders willen dat de minderjarige terugkeert, maar wonen niet samen en voldoen niet aan de gestelde voorwaarden, zoals basale verzorging, hulpverlening accepteren, relatie tussen ouders en drugsgebruik van de vader.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De situatie van de ouders is onvoldoende stabiel, zij hebben diverse kwetsbaarheden waaronder een laag IQ, licht verstandelijke beperking, bewindvoering en drugsgebruik. De GI acht de opvoedcapaciteiten beneden het vereiste minimumniveau en een perspectiefonderzoek wordt niet passend geacht.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 22 oktober 2025 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.