ECLI:NL:RBMNE:2025:3276

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/3626
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing Ziektewetuitkering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de tijdelijke stopzetting van zijn Ziektewetuitkering door het UWV per 28 mei 2025. Het UWV had de uitkering geschorst vanwege het niet voldoen aan verplichtingen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts wordt toegekend bij onverwijlde spoed. Inmiddels had verzoeker alsnog aan zijn verplichtingen voldaan, waarna het UWV op 24 juni 2025 de schorsing van de uitkering heeft opgeheven en de betaling hervat. Hierdoor was het spoedeisend belang van de voorlopige voorziening komen te vervallen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en wees het af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de Ziektewetuitkering is afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3626

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de (tijdelijke) stopzetting van de uitbetaling van zijn uitkering op grond van de Ziektewet met ingang van 28 mei 2025.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Met het besluit van 28 mei 2025 heeft het Uwv de uitbetaling van de Ziektewetuitkering van verzoeker tijdelijk stopgezet, omdat hij volgens het Uwv niet voldeed aan de verplichtingen die in het kader van deze uitkering voor hem gelden. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. [2]
5. Inmiddels heeft verzoeker alsnog aan zijn verplichtingen voor het ontvangen van de Ziektewetuitkering voldaan. Met het besluit van 24 juni 2025 heeft het Uwv de schorsing van de uitbetaling daarom weer opgeheven. De betaling van de uitkering is hervat vanaf 28 mei 2025.
6. De conclusie is dat er na het besluit van 24 juni 2025 geen enkel spoedeisend belang meer is bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.