Eiseres vroeg een maatwerkvoorziening voor ambulante specialistische jeugdhulp voor haar minderjarige zoon op grond van de Jeugdwet. Verweerder kende deels de gevraagde zorg toe, maar wees een aantal onderdelen af. Na bezwaar verhoogde verweerder de toegekende uren en voerde een analyse uit volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting kwam verweerder op enkele punten eiseres tegemoet, zoals de ingangsdatum van de zorg per 1 januari 2025, verlenging tot de 18e verjaardag van de minderjarige, inzet van hbo-opgeleide zorgverleners en concrete omvang van respijtzorg. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege deze aanpassingen en vernietigde het bestreden besluit voor zover de toekenningsperiode liep van 11 maart 2025 tot 10 maart 2027.
De overige beroepsgronden, waaronder extra uren voor medische afspraken, ziekteverzuim, schoolactiviteiten, mantelzorg en werkgerelateerde bijeenkomsten, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat de gevraagde zorg niet direct betrekking had op de minderjarige. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.