ECLI:NL:RBMNE:2025:3450

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
UTR 24/4238
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:54 AwbAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing verzoek overname schulden Wet hersteloperatie Toeslagen

Eiser heeft bij de minister een verzoek ingediend tot overname van schulden op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen, dat op 12 juli 2023 werd afgewezen. Hiertegen maakte eiser bezwaar, waarbij hij bovenaan het bezwaarschrift de woorden "verzoek tot herziening" vermeldde. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar beoordeelde het bezwaar ambtshalve inhoudelijk en wees het af.

Eiser maakte bezwaar tegen deze inhoudelijke beoordeling en stelde dat de minister niet had onderkend dat tegen het besluit van 23 januari 2024 bezwaar kon worden gemaakt. De minister reageerde dat tegen deze beslissing geen bezwaar openstaat en dat het bezwaarschrift als beroepschrift moest worden doorgezonden, maar zag hiervan af omdat eiser zich niet verzette tegen de niet-ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de enkele vermelding "verzoek tot herziening" boven het bezwaarschrift geen zelfstandige aanvraag inhoudt en niets toevoegt aan het bezwaar. De rechtbank concludeert dat het verzoek tot herziening in wezen neerkomt op hetzelfde als het bezwaar en dat de minister daarom niet verplicht was dit als een herhaalde aanvraag of herzieningsverzoek te behandelen.

Daarmee is het beroep ongegrond en wordt het griffierecht niet teruggegeven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot overname van schulden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Polat).

Inleiding

Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de minister het verzoek van eiser om overname van schulden op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen afgewezen.
Eiser heeft op 11 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bovenaan dit bezwaarschrift staat “voorlopig bezwaarschrift c.q. verzoek tot herziening”.
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend zonder dat daarvoor een goede (verschoonbare) reden is. De minister heeft in dit besluit ook ambtshalve het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en uitgelegd waarom de schulden niet worden overgenomen.
Op 23 februari 2024 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt, voor zover het besluit van 23 januari 2024 gaat over het eerdergenoemde “verzoek tot herziening”.
Bij brief van 18 april 2024 heeft de minister hierop gereageerd. In die brief staat dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de ambtshalve inhoudelijke beoordeling van 23 januari 2024, maar dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat en dat eiser niet twee keer bezwaar kan maken tegen hetzelfde besluit. Verder heeft de minister geschreven dat het bezwaarschrift van 23 februari 2024 als beroepschrift moet worden doorgezonden naar de rechtbank, maar dat de minister daarvan afziet omdat eiser expliciet heeft aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
Eiser heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 18 april 2024.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dit in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
In deze zaak gaat het erom dat eiser het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek om overname van schulden. Daarom heeft hij bezwaar gemaakt. Bovenaan zijn bezwaarschrift heeft hij niet alleen geschreven dat het gaat om een voorlopig bezwaarschrift, maar heeft hij ook vermeld “verzoek tot herziening”. Vervolgens heeft eiser in het bezwaarschrift uitgelegd waarom hij het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek om overname van schulden.
Eiser betoogt dat hij met het bezwaarschrift ook een aanvraag tot herziening heeft gedaan, waarop de minister heeft beslist met het besluit van 23 januari 2024. Volgens eiser heeft de minister niet onderkend dat hij tegen dat besluit bezwaar kan maken.
De rechtbank overweegt als volgt. Boven het voorlopig bezwaarschrift staat “verzoek tot herziening”. In het bezwaarschrift licht eiser toe waarom hij het niet eens is met afwijzing van zijn verzoek tot overname van zijn schulden, maar hij gaat in het bezwaarschrift niet concreet in op het “verzoek tot herziening”. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser met het “verzoek tot herziening” in wezen beoogt dat de minister de afwijzing van zijn verzoek tot overname van schulden heroverweegt. Dat is hetzelfde als wat hij met zijn bezwaar vraagt van de minister. De enkele vermelding “verzoek tot herziening” boven het bezwaarschrift voegt dus niets toe aan het bezwaarschrift. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat eiser aan het eind van het bezwaarschrift (in het petitum) wel verzoekt om zijn bezwaren ontvankelijk te verklaren, maar niets verzoekt ten aanzien van zijn “verzoek tot herziening”. Het “verzoek tot herziening” is dus beperkt tot deze drie woorden boven het bezwaarschrift en houdt verder niets in. Anders dan eiser betoogt, hoefde de minister die woorden boven het bezwaarschrift niet op te vatten als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Ook hoefde de minister die woorden niet op te vatten als een verzoek om het besluit van 12 juli 2023 te herzien op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Nog los van de vraag of de Awir in dit geval van toepassing is, zijn drie woorden boven een bezwaarschrift zonder nadere toelichting daarvoor evident onvoldoende.
5. De minister heeft op 23 januari 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen deze beslissing op bezwaar voor zover dat gaat over het “verzoek tot herziening”, maar uit het voorgaande volgt dat dit verzoek geen aanvullende betekenis heeft naast het bezwaarschrift. Dat betekent dat de minister zich in de brief van 18 april 2024 terecht op het standpunt heeft gesteld dat tegen de beslissing op bezwaar van 23 januari 2024 geen bezwaar openstaat.
Conclusie en gevolgenHet beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.