ECLI:NL:RBMNE:2025:3515
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Boete opgelegd voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen wegens feitelijk werkgeverschap broer
Eiser kreeg een boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid door zijn broer, een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, tijdens werkzaamheden aan een woning. De minister had de boete gematigd van €2.000 naar €1.000 vanwege de geringe omvang en duur van de arbeid.
Eiser betwistte het werkgeverschap en stelde dat zijn broer slechts incidenteel aanwezig was en geen werknemer was. De rechtbank oordeelde echter dat het begrip werkgever in de Wet arbeid vreemdelingen ruim moet worden uitgelegd en dat feitelijk werkgeverschap reeds wordt aangenomen bij het mogelijk maken van arbeid, ongeacht formele arbeidsovereenkomst.
De inspectie vond de broer daadwerkelijk arbeid verrichten, wat door eiser ook werd bevestigd. De rechtbank vond het boeterapport duidelijk en overtuigend en verwierp het verweer van eiser. Ook het beroep op financiële draagkracht slaagde niet, omdat eiser geen bewijs leverde en de boete al deels was gematigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete van €1.000. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €1.000 wegens het feitelijk werkgeverschap van eiser ten aanzien van zijn broer zonder tewerkstellingsvergunning.