In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter op 10 juli 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van een aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht van €194,- niet binnen de gestelde termijn is betaald, ondanks dat verzoeker door aangetekende brief op 28 mei 2025 in de gelegenheid is gesteld dit binnen twee weken te doen. De brief is op 31 mei 2025 bezorgd en voor ontvangst getekend. Verzoeker heeft geen verontschuldiging voor het niet tijdig betalen gegeven.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.