De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van betrokkene om schadevergoeding van de Staat wegens een vernietigde beschikking omtrent een zorgmachtiging. Betrokkene stelde dat de periode van 23 mei tot 27 juni 2024 een termijnoverschrijding betrof en dat hij schade had geleden door verplichte zorg en onzekerheid over zijn juridische status.
De rechtbank stelde vast dat de beschikkingen van 23 mei, 17 juni en 27 juni 2024 tijdig waren gegeven en dat een vernietigde beschikking niet automatisch een termijnoverschrijding inhoudt. De periode zonder geldige zorgmachtiging betrof slechts de dagen van 24 tot en met 28 juni 2024, omdat de beschikking van 17 juni 2024 door de Hoge Raad werd vernietigd.
Verder oordeelde de rechtbank dat de ervaren bemoeizorg geen verplichte zorg was zoals bedoeld in de Wvggz en dat betrokkene niet had aangetoond dat er in de betreffende periode onrechtmatige verplichte zorg was toegepast. De stress en onzekerheid over de juridische status waren beperkt tot een korte periode. Daarom volstond de vaststelling van de rechterlijke fout zonder toekenning van een geldelijke schadevergoeding.
De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af en gaf aan dat tegen deze beslissing hoger beroep mogelijk is.