Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Inleiding
(het object) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van een bedrijfsruimte aan een adres in een plaats, vastgesteld op €48.000,- voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar gebruikte de huurwaardekapitalisatiemethode om de waarde te bepalen. Eiser stelde een lagere waarde van €24.000,- voor, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
De rechtbank constateerde dat het procederen van de gemachtigde van eiser niet voldeed aan de goede procesorde, omdat concrete gronden pas op de zitting werden aangedragen, wat de wederpartij en rechtbank verhinderde zich adequaat voor te bereiden. Daarom werden deze gronden buiten beschouwing gelaten.
De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met vergelijkbare objecten en een passende kapitalisatiefactor. De rechtbank vond deze onderbouwing aannemelijk en oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het financiële belang onvoldoende was onderbouwd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar bleef in stand en het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding werden afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.