In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €675.000,- voor het belastingjaar 2023. Eiser stelde dat hij ten onrechte niet is gehoord door de heffingsambtenaar en verzocht om terugwijzing van de zaak voor alsnog horen. De heffingsambtenaar stelde dat eiser voldoende gelegenheid tot horen is geboden, maar dat eiser daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat op grond van een gemaakte afspraak tussen de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar schriftelijke aanvullingen als hoorzitting konden gelden. De aangetekende post met taxatieverslagen was ontvangen, en hoewel de schriftelijke aanvulling pas na de afgesproken termijn werd ingediend, werd deze alsnog in behandeling genomen. Daarmee was de hoorplicht niet geschonden.
Verder constateerde de rechtbank dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep met ongeveer vier maanden was overschreden. Gezien het geringe financiële belang en het ontbreken van onderbouwing voor immateriële schadevergoeding, werd volstaan met de constatering van overschrijding zonder toekenning van vergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding af.