In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2023. Na een bezwaarprocedure waarin de heffingsambtenaar de waarde handhaafde, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.
Eiser stelde dat hij ten onrechte niet is gehoord door de heffingsambtenaar, omdat hij de taxatieverslagen niet had ontvangen. De rechtbank stelde vast dat de taxatieverslagen per aangetekende post naar de gemachtigde van eiser waren verzonden en ontvangen. Bovendien was er een schriftelijke afspraak gemaakt over het indienen van een schriftelijke aanvulling als vervanging van een hoorzitting, waarvan eiser geen gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet is geschonden en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te worden gehoord. Daarnaast constateerde de rechtbank dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met ongeveer vier maanden is overschreden. Gezien het geringe financiële belang en het ontbreken van onderbouwing voor immateriële schadevergoeding, volstond de rechtbank met de constatering van de termijnoverschrijding.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 928.000,- bleef gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 17 juli 2025.