ECLI:NL:RBMNE:2025:3613

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
25/2450
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning dakopbouw appartement

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw ten behoeve van een appartement. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om de vergunning te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat er geen sprake is van onverwijlde spoed. De bouwwerkzaamheden zullen pas beginnen nadat vergunninghoudster een aanvullende bouwtechnische vergunning heeft ontvangen en vinden plaats op eigen risico. Daarnaast betreffen de meeste bezwaren aspecten die pas relevant zijn na ingebruikname van het bouwwerk.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bouwwerkzaamheden omkeerbaar zijn en dat het college de bezwaren in de bezwaarprocedure zal beoordelen. Er is daarom geen noodzaak voor een spoedmaatregel. Het verzoek wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3450

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers)
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Bilt (het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit [plaats 2] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. L.W. Tellegen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 18 maart 2025 voor het realiseren van een dakopbouw ten behoeve van het toevoegen van een appartement, op het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] (in de nabijheid van [adres] e.v. in [plaats 1] ).
2. Verzoeker is het niet eens met deze omgevingsvergunning en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de omgevingsvergunning wordt geschorst.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Dit verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tijdens de bezwaarprocedure.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit telefonisch contact met de vergunninghoudster is gebleken dat vergunninghoudster begin juli zal starten met de bouwwerkzaamheden. De exacte datum waarop zal worden gestart is niet bekend omdat vergunninghoudster nog in afwachting is van een omgevingsvergunning voor de bouwtechnische bouwactiviteit. De bouwwerkzaamheden vinden plaats op eigen risico en voor eigen rekening van de vergunninghoudster, nu de aan haar verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het grootste deel van de onderbouwing van het verzoek betrekking heeft op aspecten die pas aan de orde zijn nadat het vergunde bouwwerk in gebruik is genomen. Verzoeker vreest dat het voorziene appartement in strijd met de geldende bestemming zal worden gebruikt doordat het appartement voor tijdelijke bewoning ter beschikking zal worden gesteld. Ook vreest verzoeker dat het bouwwerk niet conform de bouwtekeningen zal worden gebouwd en er mogelijk sprake zal zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Verzoeker verwacht ook meer geluidsoverlast als gevolg van de dakopbouw omdat het geluid volgens verzoeker tussen de gebouwen blijft hangen. Ook heeft de opbouw op het platte dak volgens verzoeker negatieve consequenties voor de privacy en lichttoetreding richting de bestaande woningen aan de [straat 1] en de [straat 2] . Deze aspecten zal het college in de bezwaarprocedure moeten beoordelen, maar maken niet dat op dit moment het treffen van spoedmaatregel nodig is.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verder geen sprake van bouwwerkzaamheden die niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoeker ingediende bezwaren de omgevingsvergunning herroept, zijn reeds uitgevoerde bouwwerkzaamheden op zichzelf omkeerbaar.
9. De conclusie is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.