De zaak betreft een overbedelingsvordering na de verdeling van een woning bij beëindiging van een samenleving. De man had een schuld van €100.000 aan zijn eerste partner, vastgelegd in een overeenkomst van 14 februari 2011. Na zijn huwelijk en echtscheiding met de gedaagde viel deze schuld in de gemeenschap van goederen, waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk werd.
Na het overlijden van de man zijn zijn erfgenamen, waaronder de eerste partner, mede-schuldenaar. De rechtbank oordeelt dat het onredelijk is dat de ex-echtgenote de gehele lening moet betalen aan de eerste partner, gezien de redelijkheid en billijkheid. Daarom wordt zij veroordeeld tot betaling van €50.000, de helft van de schuld.
De rechtbank stelt vast dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig is, ondanks het betwiste tijdstip van ondertekening. De opeisbaarheid van de lening is vastgesteld op 20 juni 2023. Verweren over aflossing en verjaring worden verworpen. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.