Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers vorderden in een executie-kortgeding de schorsing van een eerder vonnis van 19 juni 2025, waarin zij werden veroordeeld hun woonruimte in een AZC te ontruimen wegens weigering van een passend woningaanbod van de gemeente Utrecht.
De voorzieningenrechter in het executie-kortgeding oordeelde dat het toetsingskader beperkt is tot het vaststellen van een duidelijke fout in het eerdere vonnis, het ontstaan van een onvoorziene noodsituatie of een belangenafweging die schorsing rechtvaardigt. Eisers stelden dat de voorzieningenrechter in het eerdere vonnis onterecht aannam dat het COA de procedures correct had uitgevoerd, met name over het al dan niet plaatsvinden van een gesprek op 4 maart 2025.
De rechter concludeerde dat het eerdere vonnis goed gemotiveerd was en dat het gesprek op 4 maart 2025 wel degelijk had plaatsgevonden, zoals door het COA onderbouwd met verklaringen. Er was geen sprake van een evidente fout. Ook het belang van eisers bij het behoud van woonruimte was reeds in het eerdere vonnis meegewogen, en er waren geen nieuwe feiten die een noodsituatie aannemelijk maakten.
Daarom werd het verzoek tot schorsing afgewezen en werden eisers hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het COA.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het vonnis tot ontruiming van woonruimte in het AZC wordt afgewezen.