ECLI:NL:RBMNE:2025:3881

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
16.319465.24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging doodslag en zware mishandeling door opzettelijke aanrijding met bromfiets

Op 6 oktober 2024 vond er een aanrijding plaats in Utrecht waarbij de verdachte met zijn auto opzettelijk een bromfiets aanreed waarop drie personen zaten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte de bromfiets twee keer opzettelijk aanreed, wat leidde tot ernstige verwondingen bij de slachtoffers. De verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Tijdens de zitting op 14 juli 2025 werd de zaak inhoudelijk behandeld. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van het opzettelijk doden van de slachtoffers door met volle snelheid op hen in te rijden. De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was vanwege innerlijke tegenstrijdigheid in de beschuldigingen. De rechtbank oordeelde echter dat de tenlastelegging duidelijk en begrijpelijk was. De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een rijontzegging van 3 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze gepleegd zijn, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een posttraumatische stressstoornis (PTSS).

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.319465.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2025 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [1993] te [geboorteplaats] (Afghanistan),
wonende aan [adres] te [woonplaats] ,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 14 juli 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. N. Schipper;
  • de advocaat van de verdachte: mr. W. Römelingh;
  • de slachtoffers: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
  • de advocaat van de slachtoffers: mr. F.J.M. Hamers.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van
14 juli 2025 - de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
primair:
op 6 oktober 2024 in Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk te doden, door met een personenauto, met volle snelheid, op hem in te rijden althans tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden, vervolgens over hem heen te rijden en op hem tot stilstand te komen en vervolgens (meermalen) achterwaarts over die [slachtoffer 1] heen te rijden;
subsidiair:
op 6 oktober 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een personenauto, met volle snelheid, op hem in te rijden althans tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden, vervolgens over hem heen te rijden en op hem tot stilstand te komen en vervolgens (meermalen) achterwaarts over die [slachtoffer 1] heen te rijden;
Feit 2
primair:op 6 oktober 2024 in Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 3] opzettelijk te doden, door met een personenauto, met volle snelheid, op hem in te rijden althans tegen [slachtoffer 3] aan te rijden;
subsidiair:op 6 oktober 2024 in Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een personenauto, met volle snelheid, op hem in te rijden althans tegen [slachtoffer 3] aan te rijden;
Feit 3primair:op 6 oktober 2024 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door rijdend in een personenauto voornoemde personen te achtervolgen en op hen in te rijden, tegen de bromfiets waarop zij zaten aan te rijden, vervolgens met zijn auto de stoep op te rijden en in te sturen op [slachtoffer 2] ;
subsidiair:op 6 oktober 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door rijdend in een personenauto voornoemde personen te achtervolgen en op hen in te rijden, tegen de bromfiets waarop zij zaten aan te rijden, vervolgens met zijn auto de stoep op te rijden en in te sturen op [slachtoffer 2] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Geldigheid van de dagvaarding

3.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de beschuldigingen onder feit 1 primair en feit 2 primair zich niet laten verenigen met de beschuldiging onder feit 3 primair. De gedragingen onder feit 1 primair en feit 2 primair zouden een poging doodslag opleveren, terwijl dezelfde gedragingen onder feit 3 primair een (poging) zware mishandeling zouden zijn. In zoverre is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en daarmee nietig.
3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie meent dat er geen sprake is van een nietige dagvaarding nu de
beschuldigingen onder feiten 1 en 2, enerzijds, en de beschuldiging onder feit 3, anderzijds,
zien op verschillende momenten van het incident. De beschuldiging onder feit 3 ziet op de eerste aanrijding van de bromfiets, met daarop [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Feiten 1 en 2 zien op het moment dat verdachte de bromfiets, met daarop (alleen nog) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , voor de tweede keer aanreed. Er is dan ook geen sprake van een innerlijke
tegenstrijdigheid.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) mag er bij de verdachte redelijkerwijs geen twijfel bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Dit houdt in dat de opgave van het feit duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk moet zijn. Gelet op de op de zitting gewijzigde tenlastelegging, waarin de beschuldiging meer concreet is geworden en is verfeitelijkt, en de toelichting daarop van de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat de tenlastelegging niet innerlijk tegenstrijdig en niet onduidelijk of onbegrijpelijk is. Voor de verdachte is voldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding is dan ook geldig.

4.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de politie heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie door in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek de conclusie te trekken dat de verdachte in een personenauto kennelijk opzettelijk tegen een bromfiets is aangereden en die gebeurtenis zonder voorbehoud te kwalificeren als poging doodslag. De onschuldpresumptie geldt niet alleen voor rechters, maar ook voor autoriteiten die met de opsporing en vervolging zijn belast. Het Openbaar Ministerie behoort niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schending van de onschuldpresumptie het strafrechtelijk systeem in de kern raakt (Karman-criterium).
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het Openbaar Ministerie de enige instantie is die een etiket op een zaak plakt en dat de politie deze bevoegdheid niet heeft. Dat de politie gedurende een politieonderzoek zelf een gebeurtenis kwalificeert, heeft verder geen invloed op de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan bepalen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is als door een verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet (artikel 359a, eerste lid, Sv). Ook kan de rechtbank de niet-ontvankelijkheid bepalen indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (Zwolsman-criterium), dan wel indien het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met de grondslagen van het strafproces (Karman-criterium). De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen van bovengenoemde situaties aan de orde is en daarom is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Het enkele feit dat er in het procesdossier door de politie een kwalificatie wordt gebruikt om de verdenking weer te geven, geeft geen blijk van handelen in strijd met de onschuldpresumptie.

5.Bewijs

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair van de beschuldiging heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 5.3.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair van de beschuldiging. De verdediging voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 5.3.
De advocaat van de verdachte refereert zich ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 van de beschuldiging, (grotendeels) aan het oordeel van de rechtbank.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zijn de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.
De rechtbank vindt – gelet op de aangehaalde bewijsmiddelen – bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zowel feit 1 primair, feit 2 primair als feit 3 primair van de beschuldiging. Hieronder legt de rechtbank nader uit waarom zij tot dat oordeel komt en gaat zij in op de verweren van de verdediging.
Bewijsoverwegingen feiten 1, 2 en 3
De feiten
In de nacht van 6 oktober 2024 vond er buiten voor uitgaanslocatie Tivoli de Helling in Utrecht een confrontatie plaats tussen de verdachte en [slachtoffer 1] Om 04:20:15 uur stapten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] met zijn drieën op een bromfiets reden en vanaf Tivoli De Helling in de richting van de Baden-Powellweg in Utrecht. [slachtoffer 3] bestuurde de bromfiets, [slachtoffer 1] zat in het midden en [slachtoffer 2] zat achterop. De slachtoffers hadden geen helm op. Om 04:20:37 uur rende de verdachte naar zijn auto toe en om 04:20:46 uur reed hij, met snelheid, ook in de richting van de Baden-Powellweg.
Om 04:21:24 uur reed de bromfiets op de [straat] in Utrecht. Enkele seconden later kwam de verdachte, rijdend in zijn auto, met snelheid achter de bromfiets aan, waarna hij, luid claxonnerend, tegen de achterzijde van de bromfiets botste en tot stilstand kwam. [slachtoffer 2] sprong van de bromfiets af de stoep op. De verdachte reed vervolgens met zijn auto de stoep op in de richting van [slachtoffer 2] .
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zaten nog op de bromfiets na deze eerste aanrijding en vervolgden hun weg over de [straat] . De auto van de verdachte maakte vervolgens een scherpe bocht naar links in de richting van de bromfiets en reed, kort daarna, met de rechtervoorzijde in op de rechterzijde van de bromfiets. Tegelijkertijd raakte de linker voorzijde van de auto de rechterzijde van een tegemoetkomende taxi.
De bromfiets kwam bij de tweede aanrijding ten val. [slachtoffer 3] vloog van de bromfiets af, naar rechts over het wegdek. De bromfiets en [slachtoffer 1] , kwamen onder de auto van de verdachte terecht, waarna zij over het wegdek vooruit schoven. De auto kwam vervolgens tot stilstand. Toen de verdachte uit zijn auto stapte, lag [slachtoffer 1] onder het linker achterwiel van de auto.
De verdachte liep naar zijn kofferbak, deed die open en dicht, en stapte vervolgens weer in zijn auto. De verdachte reed daarna achteruit van [slachtoffer 1] af, waarna zijn auto met het linker voorwiel op [slachtoffer 1] tot stilstand kwam. Daarna reed de verdachte de auto nogmaals achteruit en stapte hij weer uit. Er ontstond vervolgens een conflict tussen de verdachte en [slachtoffer 2] , waarbij de verdachte moest worden tegengehouden door één van zijn broers.
[slachtoffer 1] is met zwaar lichamelijk letsel overgebracht naar het ziekenhuis.
Opzettelijke aanrijding of ongeluk?
De eerste vraag die aan de rechtbank voorligt is of bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk de bromfiets, met daarop de slachtoffers, aanreed of dat er sprake was van een ongeluk, zoals verdachte zelf heeft verklaard.
De verdachte heeft verklaard dat hij de slachtoffers, na de confrontatie bij Tivoli De Helling, toevallig weer (rijdend op de bromfiets) tegenkwam en hen toen per ongeluk aanreed. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat dat hij kort voor de eerste aanrijding dacht dat hij van rechts komend verkeer moest ontwijken. Hij week daarom met zijn auto uit naar links uit, waarna hij snel weer naar rechts stuurde om een vluchtheuvel te ontwijken. Op dat moment reed de bromfiets vlak voor hem en kon hij deze niet meer ontwijken, waarna de eerste aanrijding plaatsvond. Het insturen op [slachtoffer 2] , die op de stoep stond, en de tweede aanrijding gebeurden doordat de verdachte de macht over de auto verloor.
De rechtbank is van oordeel dat dit door de verdachte geschetste (alternatieve) scenario, niet aannemelijk is geworden. Uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte, maakt de rechtbank op dat de verdachte flink boos was tijdens confrontatie bij Tivoli De Helling. De verdachte duwde [slachtoffer 1] , bleef de confrontatie zoeken en moest worden tegengehouden door omstanders. Volgens de verdachte bleef hij even “afkoelen” met een vriend, nadat de slachtoffers wegreden op de bromfiets, maar dit strookt niet met wat de politie heeft gezien op de camerabeelden van Tivoli De Helling. Daarop is gezien dat de verdachte na het vertrek van de slachtoffers op de bromfiets naar zijn auto rende en met snelheid wegreed in dezelfde richting als de slachtoffers.
Uit de camerabeelden van een ringdeurbel van een woning aan de [straat] volgt dat de verdachte ook met snelheid in die straat reed. De politie heeft onderzoek gedaan en heeft berekend dat de verdachte hier met een snelheid van minimaal 67 km/u en maximaal 86 km/u reed, terwijl de toegestane maximale snelheid 50 km/u was. De verdachte kwam zo met zijn auto snel dichtbij de slachtoffers die op dat moment ook op de [straat] reden.
Dat er, toen de verdachte een (flauwe) bocht inreed, van rechts komend verkeer aankwam blijkt niet uit de camerabeelden van de snackbar waarvoor de aanrijding plaatsvond. De verkeerssituatie in de bocht was wel onoverzichtelijk door een bestelbusje dat met de gevarenlichten aan stilstond in die bocht. Dat busje kon de verdachte echter - juist vanwege die gevarenlichten - tijdig zien, waardoor het voor de hand had gelegen dat de verdachte had geremd in plaats van met hoge snelheid de bocht te nemen.
De verdachte heeft de bromfiets, met daarop op dat moment alle drie de slachtoffers, vervolgens, onder luid getoeter, aangereden. De auto van de verdachte kwam na de eerste aanrijding een moment tot stilstand. Hierna gaf de verdachte weer gas, maakte een scherpe bocht naar links en reed met een flinke snelheid in op de wegrijdende bromfiets, met daarop nog [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] vloog van de bromfiets over de weg en de bromfiets en [slachtoffer 1] kwamen onder de auto.
De verdachte stopte de auto en stapte direct na deze tweede aanrijding uit. Hij ging niet op zoek naar (eventuele) slachtoffers van de aanrijdingen en verleende geen hulp aan [slachtoffer 1] , die onder de auto lag. Wel liep de verdachte direct naar de kofferbak van zijn auto en opende die. Iets dat hij ook al deed tijdens de confrontatie bij Tivoli De Helling. Toen probeerde hij iets te pakken en werd tegengehouden door omstanders. In de kofferbak lag een honkbalknuppel.
Nadat er omstanders kwamen en riepen dat er een persoon onder de auto lag, is de verdachte weer in de auto gaan zitten en reed hij deze hard achteruit, waarna de auto met het voorwiel op [slachtoffer 1] tot stilstand kwam. Op aangeven van omstanders reed de verdachte de auto na enkele seconden nog een keer achteruit, van [slachtoffer 1] af.
Uit, onder meer, camerabeelden van na deze gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat de verdachte ook toen boos was. De verdachte verleende opnieuw geen hulp, maar zocht de confrontatie met [slachtoffer 2] en moest worden tegengehouden door zijn broers. Tegen één van zijn broers heeft de verdachte op dat moment gezegd dat hij ruzie had gehad bij Tivoli De Helling, dat de slachtoffers hem met zijn drieën zouden hebben aangevallen en geslagen en dat hij ze wilde pakken.
Uit de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte na de gebeurtenis bij Tivoli De Helling (opnieuw) de confrontatie zocht en aanging met de slachtoffers. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte heeft bedoeld de bromfiets, met daarop de slachtoffers, aan te rijden.
Aanwijzingen dat het een ongeluk was, ziet de rechtbank niet. De verdachte remde weliswaar net voordat hij voor de eerste keer instuurde op de bromfiets maar hij reed daarna alsnog met zijn auto tegen de bromfiets aan. De auto kwam een kort moment tot stilstand en de verdachte gaf daarna gas, reed met de auto de stoep op en stuurde in één beweging in op [slachtoffer 2] , die tijdens de aanrijding van de bromfiets was gesprongen, en maakte daarna een scherpe bocht richting de wegrijdende scooter. De verklaring van de verdachte dat hij de controle kwijt was over de auto kan de rechtbank niet rijmen met het remmen door de verdachte en het feit dat de auto na de aanrijding kort stilstond, maar vervolgens ook weer doorreed. Dat de verdachte van schrik het rempedaal losliet en dat de auto daardoor als het ware naar voren sprong, zoals de verdachte op de zitting heeft verklaard, volgt de rechtbank niet. Een dergelijke ‘sprong’ volgt niet uit de camerabeelden en verklaart ook niet de scherpe stuurbeweging naar links, waarbij de auto nog meer snelheid maakte. Uit het technisch onderzoek aan de auto van de verdachte kwamen verder ook geen voertuigtechnische bijzonderheden naar voren die bijdroegen aan het ontstaan dan wel verloop van de aanrijdingen. Ook waren er geen omgevingsinvloeden die hieraan bijdroegen.
Wat kan er bewezen worden?
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wat de handelingen van de verdachte in juridische zin betekenen; hoe die gekwalificeerd moeten worden. De rechtbank maakt bij de beantwoording van die vraag, gelet op de wijze waarop de handelingen zijn tenlastegelegd, onderscheid tussen de eerste aanrijding, toen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op de bromfiets zaten, (feit 3) en de tweede aanrijding, toen alleen nog [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] op de bromfiets zaten (feiten 1 en 2). De rechtbank bespreekt eerst feit 3 en daarna de feiten 1 en 2 samen.
Feit 3
Voorwaardelijk opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dus dat er sprake is van ‘vol’ opzet. Weliswaar gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte de slachtoffers opzettelijk aanreed, maar dat betekent nog niet dat hij ook wilde dat zij hierdoor zwaar gewond zouden raken. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte bij zijn gedragingen wel ‘voorwaardelijk’ opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank oordeelt als volgt.
De verdachte was erbij toen de slachtoffers voor de Tivoli De Helling op de bromfiets stapten en wegreden, daarna heeft hij hen achtervolgd. De verdachte moet daarbij hebben gezien dat de slachtoffers geen helm droegen. Het met een auto inrijden op een bromfiets met daarop personen zonder helm, zijnde kwetsbare verkeersdeelnemers, en vervolgens nog insturen op [slachtoffer 2] die van de bromfiets afsprong, brengt naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans met zich mee dat deze personen letsel oplopen dat als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
Daarna moet de rechtbank onderzoeken of de verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen en of de verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het, zonder aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De verdediging heeft in dit verband gewezen op de omstandigheden dat de verdachte zelf ook het risico liep verwond te raken, dat hij zelf schade heeft opgelopen en zijn broer schade heeft toegebracht en dat het gedrag van de verdachte na de aanrijdingen er niet op was gericht om de slachtoffers alsnog te doden of te mishandelen. De rechtbank ziet hierin geen contra-indicaties. Waar het gaat om het gedrag van de verdachte na de aanrijdingen geldt dat de rechtbank, zoals hiervoor al overwogen, gebleken is dat de verdachte ook na de aanrijdingen nog de confrontatie zocht en zei dat hij de slachtoffers wilde “pakken”. De rechtbank leidt hieruit af dat dit voor de verdachte op dat moment kennelijk het belangrijkste doel was en dat hij de nadelige gevolgen voor hemzelf en voor anderen dan de slachtoffers daarbij dus kennelijk voor lief nam.
Dat het bij deze eerste aanrijding niet tot zwaar lichamelijk letsel is gekomen, is enkel aan het snelle handelen van [slachtoffer 2] te danken en aan de reactie van de bestuurder van de bromfiets, maar niet aan de verdachte. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 1 primair en feit 2 primair
Voorwaardelijk opzet op de dood
De rechtbank stelt ook bij deze feiten voorop dat het dossier onvoldoende aanknopings-punten bevat waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] van het leven beroven. Wel vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .
Het met aanzienlijke snelheid, zonder te remmen of uit te wijken, met een auto inrijden op een bromfiets, brengt naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans met zich dat de opzittenden van de bromfiets dusdanig letsel oplopen dat zij als gevolg daarvan kunnen komen te overlijden. Dat geldt ook voor het (eenmalig) met de auto achterwaarts over [slachtoffer 1] heen rijden. Het levensbedreigende letsel dat [slachtoffer 1] opliep onderstreept dit nog maar eens. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geen helm droegen, maakte hen in dit geval extra kwetsbaar, waardoor deze aanmerkelijk kans nog groter was. De wetenschap van de aanmerkelijke kans op het overlijden mag bij de verdachte, gelet op algemene ervaringsregels, worden verondersteld.
De doelgerichte gedragingen van de verdachte waren naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood, dat reeds hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Van concrete indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Dat de verdachte dit heeft ontkend, is daarvoor in de gegeven situatie onvoldoende. Voor de door de verdediging aangedragen contra-indicaties verwijst de rechtbank naar haar oordeel hierover bij feit 3. Dat de verdachte, toen hij over [slachtoffer 1] heen reed, gevolg gaf aan de oproep van omstanders om naar achteren te rijden, ziet de rechtbank ook niet als een contra-indicatie. De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat verdachte hierbij niet uiterst voorzichtig handelde maar, zoals getuigen hebben verklaard, hard naar achteren reed.
Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bij deze tweede aanrijding niet zijn overleden, is enkel aan adequaat medisch ingrijpen en geluk te danken, niet aan de verdachte. De rechtbank acht de ten laste gelegde pogingen tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Gebruik verklaringen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] voor het bewijs
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] uitgesloten moeten worden van het bewijs, omdat zij geen betrouwbare getuigen zijn. De rechtbank gaat hierin niet mee en gebruikt deze verklaringen wel voor het bewijs. Het is juist dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in hun eerste verklaringen aantoonbaar hebben gelogen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] verklaarden in eerste instantie dat niet drie, maar twee personen op de bromfiets zaten en dat [slachtoffer 3] niets had meegekregen van de aanrijdingen. Zij verklaarden later tegenover de politie dat zij hierover logen omdat ze bang waren dat hen verweten zou worden dat ze met drie personen, zonder helm en zonder rijbewijs op een bromfiets reden. Toen ze begrepen hoe [slachtoffer 1] eraan toe was, zagen ze in dat ze hierover eerlijk moesten gaan verklaren. De rechtbank vindt deze verklaring aannemelijk. Daar komt bij dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , voor zover relevant voor het bewijs, worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zoals de beschrijving van de camerabeelden.
5.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1 primair:
op 6 oktober 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een personenauto, met snelheid, op die [slachtoffer 1] is ingereden en
- vervolgens die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en
-vervolgens over die [slachtoffer 1] heen is gereden en
-met een personenauto op die [slachtoffer 1] tot stilstand is gekomen en
-(vervolgens
)eenmaal achterwaarts over die [slachtoffer 1] heen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2 primair:
op 6 oktober 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto, met snelheid, op die [slachtoffer 3] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3 primair:
op 6 oktober 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- rijdend in een personenauto voornoemde personen heeft achtervolgd, en
- met een personenauto op voornoemde personen is ingereden en tegen die bromfiets waarop voornoemde personen zich bevonden is aangereden en
- vervolgens met een personenauto op de stoep is gereden en heeft ingestuurd op voornoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

6.Kwalificatie en strafbaarheid

6.1
KwalificatieDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feiten 1 en 2:
Poging doodslag, meermalen gepleegd;
Feit 3 primair:
Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
6.2
Strafbaarheid feiten en verdachteDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.

7.Straf en maatregel

7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 5 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest.
De officier van justitie vordert de verdachte ter zake van het bewezen geachte verminderd
toerekeningsvatbaar te verklaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan bij de bepaling van de straf rekening te houden met de oriëntatiepunten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook kijkt de rechtbank naar het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige geweldpleging, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] levensbedreigend gewond is geraakt. De aanleiding hiervoor was een confrontatie bij een uitgaansgelegenheid, waarbij de verdachte boos werd omdat hem herhaaldelijk werd gevraagd of hij een taxichauffeur was. De boosheid van de verdachte is daarna zodanig opgelopen dat hij met zijn auto op een bromfiets ingereden waarop de drie slachtoffers zaten, waaronder de man die de verdachte vroeg of hij een taxichauffeur was. Toen de bromfiets na de eerste aanrijding verder reed is de verdachte nogmaals, met een bewuste manoeuvre van zijn auto, op de bromfiets ingereden. De slachtoffers op de bromfiets droegen op dat moment geen helm en waren daardoor zeer kwetsbaar.
De verdachte is bij het tweede moment waarop hij met snelheid op de bromfiets is ingereden met zijn autoband op [slachtoffer 1] terecht gekomen. De verdachte had gezien dat [slachtoffer 1] onder zijn achterwiel lag en is daarop zodanig onachtzaam naar achteren gereden dat de auto vervolgens met het voorwiel op het slachtoffer terecht is gekomen. Hierna heeft de verdachte zich geen enkel moment om het slachtoffer bekommerd en hulp geboden, maar zich enkel laten leiden door zijn eigen boosheid. Hij heeft het slachtoffer aan zijn lot overgelaten. Het gedrag van de verdachte heeft er ook toe geleid dat andere personen, die te hulp schoten na de aanrijdingen, zich bezig moesten houden met het voorkomen van escalatie in plaats van het helpen van het slachtoffer.
De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor het leven dan wel de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dat de slachtoffers niet om het leven zijn gekomen of dat [slachtoffer 2] geen letsel heeft opgelopen is niet aan de verdachte te danken. De verdachte heeft met zijn handelen ook overige verkeersdeelnemers in gevaar gebracht, zoals de taxichauffeur waar hij ook nog tegenaan is gebotst. De verdachte heeft bovendien maar beperkt verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en dit neemt de rechtbank hem ook kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 12 december 2024 betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt de rechtbank niet in strafverminderende maar ook niet strafverzwarende zin mee.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia-rapportage over de verdachte, van 28 januari 2025, opgemaakt door E.J.M. Nan, GZ-psycholoog. Dit rapport vermeldt - kort samengevat- dat bij de verdachte sprake is van een hoog algeheel spanningsniveau vanuit de posttraumatische stress-stoornis (PTSS) die bij hem is vastgesteld, waardoor zijn frustratietolerantie telkens onder druk staat. Het constant onder druk staan heeft een negatieve invloed op het kunnen overzien en overdenken van gedragskeuzes en zorgt ervoor dat situaties sneller als bedreigend worden ervaren, spanningen daardoor sneller oplopen en gevoelens van boosheid en agressie moeilijk gereguleerd kunnen worden. Vanwege de PTSS kan de toestand van de verdachte als het ware worden omschreven als die van iemand die steeds op het randje van ‘uitbarsten’ staat, waarbij een kleine aanleiding kan leiden tot een grote agressie-uitbraak. Het is, aldus de deskundige, voor te stellen dat deze agressie-regulatieproblematiek – voortvloeiend vanuit de PTSS – een belangrijke rol heeft gespeeld in de totstandkoming van het ten laste gelegde.
Het alcoholgebruik van de verdachte lijkt voorts een extra ontremmende factor in het geheel te zijn geweest. De verdachte zegt voor zijn plezier alcohol te hebben gedronken voorafgaand aan het ten laste gelegde; dit kan worden aangemerkt als dat hij zelf de keuze heeft gemaakt te gaan drinken en vervolgens de auto in te stappen. Het gebruik van alcohol om gevoelens te verdoven, is echter wel een terugkerende copingmethode van de verdachte om met moeilijke gevoelens die vanuit zijn PTSS zijn ontstaan om te gaan. Ondanks dat hij het deze avond niet leek in te zetten om zichzelf te verdoven, is het in ieder geval een vaker terugkerend gedragspatroon.
De deskundige ziet het alcoholgebruik als een mogelijke versterkende factor voor een agressiedoorbraak, maar ziet de agressieregulatieproblematiek van de verdachte, vanuit zijn PTSS, als de leidende/bepalende factor bij de totstandkoming van deze agressiedoorbraak. Met het aanwezig geachte verband tussen de beschreven problematiek en het hem ten laste gelegde, wordt de rechtbank geadviseerd om de verdachte de hem ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen.
Er is sprake van een laag tot matig risico op gewelddadig gedrag. Het is voor te stellen dat de verdachte met zijn huidige problematiek opnieuw in disfunctionele patronen valt. Bij ongewijzigde omstandigheden – zonder behandeling gericht op deze risicofactoren - kan dit het risico op gewelddadig gedrag vergroten. Een behandeling kan plaatsvinden in de vorm van een ambulante behandeling in het kader van bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht
.
De rechtbank heeft bij haar beslissing ook het rapport van Reclassering Nederland dat is opgemaakt voor deze zaak, meegewogen. De reclassering vermeldt dat de verdachte een voldoende mate van zelfinzicht en probleembesef laat zien ten aanzien van het meewerken aan en accepteren van behandeling, gedragsbeïnvloeding en begeleiding. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de PJ-rapporteur van 28 januari 2025. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden en aanknopingspunten ten aanzien van behandeling en begeleiding.
Met betrekking tot het advies over de bijzondere voorwaarden is overlegd in hoeverre toezicht en behandeling bij respectievelijk de verslavingsreclassering en verslavingszorg zou moeten plaatsvinden. Het middelengebruik van de verdachte was niet de leidende factor bij het delictgedrag maar werd als copingsvaardigheid gebruikt. Het middelengebruik kan wel als onderdeel van behandeling en bespreking bij De Waag en de meldplichtgesprekken belicht worden. Concluderend adviseert de reclassering bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en medewerking aan middelencontrole.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt ten aanzien van de diagnostiek en de geadviseerde verminderde toerekening de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. Gelet op de problematiek van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat hij tijdens de bewezen verklaarde feiten werd beperkt in zijn keuzevrijheid en daarmee niet geheel vrij zijn wil kon bepalen. De rechtbank acht de verdachte daarom ten aanzien van het bewezen verklaarde in een verminderde mate toerekeningsvatbaar en houdt hier rekening mee bij het bepalen van de straf.
Strafkader
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten die de verdachte heeft gepleegd de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook gelet op de straffen die doorgaans bij een poging doodslag (met zwaar lichamelijk letsel als gevolg) en een poging zware mishandeling, worden opgelegd en die hun weerslag (deels) hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat het om uitgaansgeweld gaat en dat de verdachte onder invloed was van alcohol tijdens het plegen van het feit.
Gelet hierop in combinatie met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, vindt de rechtbank passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf van 48 maanden (4 jaar), met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Daarnaast biedt het de gelegenheid daar de bijzondere voorwaarden aan te verbinden die de reclassering heeft geadviseerd om de kans op recidive terug te dringen. De invulling van deze bijzondere voorwaarden is gespecificeerd in het dictum van dit vonnis. De verdachte heeft op de zitting verteld het nut van die bijzondere voorwaarden ook in te zien en zal daaraan meewerken.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Ontzegging van de rijbevoegdheid
De rechtbank acht, naast de oplegging van een gevangenisstraf, de ontzegging van de rijbevoegdheid van de verdachte om motorvoertuigen te besturen voor het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair bewezen verklaarde passend en geboden. De rechtbank legt deze ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 3 jaar.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 5.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 6.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde;
oplegging straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 48 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van twee (2) jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan:
* een meldplicht bij de reclassering en zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* een behandeling door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling zal zich onder andere richten op EMDR en agressieregulatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
* een plicht tot medewerking aan middelencontrole, te weten een controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe de verdachte wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • ontzegtde verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair bewezenverklaarde
    de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar;
  • bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr.
G. Boonzaaijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk van het leven te beroven,
- met een personenauto, met volle snelheid, op die [slachtoffer 1] is ingereden, althans tegen die [slachtoffer 1] is aangereden en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of
- ( vervolgens) over die [slachtoffer 1] heen is gereden en/of
- met een personenauto op die [slachtoffer 1] tot stilstand is gekomen en/of
- ( vervolgens) eenmaal of meermalen achterwaarts over die [slachtoffer 1] heen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- meerdere fracturen in de ribben, de borstkas (sternum), het bekken (sacrum) en/of het onderbeen (fibula),
- een leverlaceratie en/of een nierlaceratie, en/of
- wonden op de benen,
heeft toegebracht door
- met een personenauto, met volle snelheid, op die [slachtoffer 1] in te rijden, althans tegen die [slachtoffer 1] aan te rijden, en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of
- ( vervolgens) over die [slachtoffer 1] heen te rijden en/of
- met een personenauto op die [slachtoffer 1] tot stilstand te komen en/of
- ( vervolgens) eenmaal of meermalen achterwaarts over die [slachtoffer 1] heen te rijden;
Feit 2
primair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven,
met een personenauto, met volle snelheid, op die [slachtoffer 3] is ingereden, althans tegen die [slachtoffer 3] is aangereden
,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een personenauto, met volle snelheid, op die [slachtoffer 3] is ingereden, althans tegen die [slachtoffer 3] is aangereden;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
primair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- rijdend in een personenauto voornoemde personen heeft achtervolgd, en/of
- met een personenauto op voornoemde personen is ingereden en/of tegen die bromfiets waarop voornoemde personen zich bevonden is aangereden en/of
-(vervolgens) met een personenauto op de stoep is gereden en/of heeft ingestuurd op voornoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij, op of omstreeks 6 oktober 2024 te Utrecht,
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- rijdend in een personenauto voornoemde personen te achtervolgen, en/of
- met een personenauto op voornoemde personen in te rijden en/of tegen die bromfiets waarop voornoemde personen zich bevonden aan te rijden en/of
-(vervolgens) met een personenauto op de stoep te rijden en/of in te sturen op voornoemde [slachtoffer 2] .
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2024 , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In het kader van het onderzoek bekeek ik camerabeelden die waren gevorderd bij Tivoli De Helling in Utrecht. De camerabeelden waren opgenomen op 6 oktober 2024 tussen 02:15 en 04:30 uur.
Ik zag dat er om 04:13 uur een man richting een personenauto liep die geparkeerd stond tegenover Tivoli De Helling. Op basis van andere beelden uit het dossier stelde ik vast dat de man bleek te zijn: verdachte [verdachte] , geboren op [1993] . [2]
04:16:24Ik zag dat [verdachte] aan de bestuurderskant in de personenauto stapte en achteruit het parkeervak verliet.
04:16:35
Ik zag dat er twee mannen vanuit tegengestelde richting, naar de personenauto toe liepen. [3] 04.16.40
Ik zag dat één van de twee mannen contact maakte met de bestuurder van de personenauto door hem aan te spreken. Ik zag dat de man, hierna genoemd man 2, op dat moment met zijn handen in zijn jaszakken stond.
04.17.03Ik zag dat [verdachte] uit de personenauto stapte. Ik zag dat [verdachte] en man 2 dicht bij elkaar stonden. [4] 04.17.23Ik zag dat [verdachte] zwaaiende bewegingen maakte met zijn armen
.Ik zag dat man 2 met zijn handen in zijn jaszakken bleef staan. [5] 04.17.29Ik zag dat er twee mannen, hierna genoemd man 3 en man 4, met versnelde pas op [verdachte] en man 2 afliepen vanuit de richting van de ingang van Tivoli De Helling.
Ik zag dat er ondertussen ook een bromfiets in beeld kwam.
Ik zag dat man 3 tussen [verdachte] en man 2 in ging staan. Ik zag dat man 3, man 2 iets naar achteren begeleidde. Ik zag dat [verdachte] vervolgens man 2 duwde.
Ik zag dat man 3 [verdachte] wegduwde. Ik zag dat man 4 ondertussen naar man 2 toe liep. Ik zag dat man 2 rustig bleef staan en fysiek niets deed. [6] 04.17.35Ik zag dat [verdachte] naar de bestuurderskant van de personenauto liep.
Ik zag dat de autodeur aan de bestuurderskant openstond. Ik zag dat [verdachte] vooroverboog en direct daarna naar de kofferbak van de personenauto toe liep. Ik zag dat hij de kofferbak opende en iets uit de kofferbak probeerde te pakken. Man 2 liep weg van de situatie. [7] 04.17:44Ik zag dat [verdachte] werd tegengehouden door man 3
.Ik zag dat man 2 rustig weggelopen was en onderin uit beeld was verdwenen. [8] 04.17.59Ik zag dat [verdachte] door man 3 en man 4 met kracht naar achteren werd geduwd richting de bijrijderskant van de personenauto. Ik zag dat [verdachte] diverse keren los probeerde te komen van man 3 en man 4 en naar voren wilde in de richting van man 5. Ik zag dat dit werd voorkomen door man 3 en man 4.
04.18.19Ik zag dat man 2 weer in beeld verscheen. Ik zag dat hij richting de personenauto liep. Ik zag dat hij op ongeveer één meter afstand van de achterkant van de personenauto stil bleef staan, met zijn handen in zijn jaszakken.
Ik zag dat [verdachte] met kracht werd tegengehouden door man 3 en andere omstanders. Ik zag dat [verdachte] diverse keren probeerde los te komen. [9] 04:19:07Ik zag dat man 2, man 5 en man 6 richting de eerdergenoemde bromfiets liepen. [10] 04.20.15Ik zag dat de bromfiets om 04:20:15 uur wegreed vanaf Tivoli De Helling in de richting van de Baden-Powellweg in Utrecht met drie opzittenden te weten man 2, man 5 en man 6. [11] 04:20:37
Ik zag dat [verdachte] naar zijn personenauto toe rende, aan de bestuurderskant instapte en om 04:20:46 uur met snelheid wegreed vanaf Tivoli De Helling in de richting van de Baden-Powellweg. [12]
Een proces-verbaal van bevindingen ringdeurbel [straat] van 9 oktober 2024 , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
06/10/2024 04:21:24 uur
Ik zag dat er een bromfiets op de [straat] reed. Deze bromfiets kwam uit de richting van de [straat] gereden en reed rechtdoor in de richting van het kruispunt met de [straat] / [straat] . Ik zag dat het voor- en het achterlicht van de bromfiets in werking waren.
06/10/2024 04:21:29 uur
Ik zag dat er een personenauto met hoge snelheid uit dezelfde richting gereden kwam. Ik zag dat de personenauto in dezelfde richting reed als de bromfiets en dat deze een hogere snelheid had in vergelijking met de bromfiets. [13] 06/10/2024 04:21:31 uur
Ik zag dat de bromfiets vaart minderde. Ik zag dat de personenauto met hoge snelheid de flauwe bocht naar rechts nam en richting de achterlichten van de bromfiets reed. Ik zag het derde remlicht van de personenauto branden.
06/10/2024 04:21:34 Ik hoorde vier korte claxongeluiden direct gevolgd door een doffe klap. Ik zag dat de personenauto plotseling tot stilstand kwam ten hoogte van de bromfiets. Ik zag dat het derde remlicht van de personenauto uit ging. [14] 06/10/2024 04:21:37
Ik zag dat de bromfiets weg reed in de richting van de [straat] .
06/10/2024 04:21:38
Ik zag dat de personenauto na enkele seconden een scherpe bocht naar links maakte in de richting van de bromfiets. Ik zag dat het voertuig hierbij over een hobbel heen reed. Ik hoorde dat er meerdere malen kort geclaxonneerd werd. Voor zover ik uit de beelden kon zien, leek het erop alsof de personenauto vervolgens tegen de bromfiets aan reed. Ik kon de bromfiets niet meer zien. [15]
Een proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 10 oktober 2024 heb ik onderzoek gedaan naar de betreffende camerabeelden. Ik zag dat er door de eigenaar van [naam] twee videofragmenten waren aangeleverd. [16]
Op afbeelding 1 is een overzichtsfoto zichtbaar, waarop te zien is wat er met de camera, voorzien van de naam “Buiten Rechts” wordt gefilmd. De camera filmt een deel van de gevel van het cafetaria, alsmede de openbare weg [straat] . De camera staat gericht in de richting van de [straat] . [17]
Op afbeelding 3 is zichtbaar dat er een bromfiets aan komt rijden in het beeld van de camera. De bromfiets komt aanrijden uit de richting van de [straat] en rijdt in de richting van de [straat] .
Op afbeelding 4 is de eerder genoemde bromfiets zichtbaar. Tevens is er een personenauto zichtbaar. Op de camerabeelden is te zien dat deze personenauto hard komt aanrijden uit de richting van de [straat] en rijdt in de richting van de [straat] . [18]
Op afbeelding 5 is zichtbaar dat verdachte met zijn voertuig tegen de achterzijde van de bromfiets, waarop onder andere [slachtoffer 1] zit, rijdt. Hieraan voorafgaand is op de camerabeelden te zien dat de bestuurder van de bromfiets, nadat hij het bestelbusje heeft gepasseerd, naar rechts stuurt om vervolgens op de fietsstrook te gaan rijden. Hierbij slingert de bromfiets. Verder is zichtbaar dat er drie personen op de bromfiets zitten. [slachtoffer 1] zit op dat moment als middelste persoon op de bromfiets.
Op afbeelding 6 is zichtbaar datde achterste persoon op de bromfiets van de bromfiets afstapt, nadat de bromfiets wordt aangereden door verdachte. De bestuurder en [slachtoffer 1] blijven op de bromfiets zitten, ondanks dat zij hun evenwicht lijken te verliezen bij het raken van de stoeprand met de bromfiets. [19] Op afbeelding 7 is zichtbaar dat de achterste persoon die op de bromfiets zat, opzij springt voor de personenauto van verdachte. Deze persoon blijkt uit onderzoek [slachtoffer 2] te betreffen. De personenauto van verdachte rijdt het trottoir op, nadat deze eerst even stilstond op de weg. [slachtoffer 2] kan het voertuig maar net op tijd ontwijken, omdat deze bijna tegen hem aanrijdt. Zichtbaar is dat zowel de bestuurder als [slachtoffer 1] nog op de bromfiets zitten. Zij rijden naar links weg bij de personenauto van verdachte.
Op afbeelding 8 is zichtbaar dat verdachte met zijn personenauto naar links, richting de weg en de wegrijdende bromfiets, stuurt nadat hij [slachtoffer 2] bijna heeft aangereden. [20]
Op afbeelding 9 is een stukje van de achterzijde van de personenauto van verdachte zien. Deze rijdt op dat moment in de richting van de plek waar de bromfiets met daarop de bestuurder en [slachtoffer 1] ook rijdt. De personenauto van verdachte verdwijnt vervolgens uit het beeld van de camera. [21] Op afbeelding 12 is een overzichtsfoto zichtbaar, waarop te zien is wat er met de camera, voorzien van de naam "Buiten voorzijde links" wordt gefilmd. De camera betreft een statische camera, welke is bevestigd aan de gevel van [naam] . Deze camera filmt een deel van de gevel van het cafetaria, alsmede de openbare weg [straat] . De camera staat gericht in de richting van de [straat] .
Op afbeelding 13 verschijnt de bromfiets met daarop de bestuurder en [slachtoffer 1] in het beeld van de camera. Deze taxi komt aanrijden uit de richting van de [straat] en rijdt in de richting van de [straat] . [22] Op afbeelding 14 verschijnt de auto van verdachte in het beeld van de camera. De auto bevindt zich op dat moment op het trottoir, rijdt hiervan af en rijdt vervolgens in de richting van de bromfiets met daarop [slachtoffer 1] en de bestuurder.
Op afbeelding 15 is zichtbaar dat verdachte met zijn voertuig tegen de bromfiets met daarop [slachtoffer 1] en de bestuurder rijdt. Verdachte rijdt met zijn voertuig in de richting van het voertuig van getuige [getuige 1] . Op afbeelding 15 is te zien dat de bestuurder van de bromfiets van de bromfiets af vliegt. [slachtoffer 1] en de bromfiets zijn niet zichtbaar op de afbeelding en bevinden zich vermoedelijk uit zicht, voor het voertuig van verdachte. [23] Op afbeelding 16 is zichtbaar dat het voertuig van verdachte met de voorzijde het voertuig van getuige [getuige 1] aan de linkerzijde schampt. De bromfiets en [slachtoffer 1] zijn niet zichtbaar in het beeld van de camera. Vermoedelijk bevinden zij zich voor, dan wel onder het voertuig van verdachte. De bestuurder van de bromfiets is zichtbaar. Hij is van de bromfiets afgereden door verdachte.
Op afbeelding 17 is de bestuurder van de bromfiets zichtbaar. Door de aanrijding "vliegt" hij over straat. Wanneer de bestuurder van de bromfiets vervolgens rechtop gaat staan, rent hij via het trottoir weg in de richting van de [straat] . [24] Het voertuig van verdachte is zichtbaar. Aan de rechterzijde van het voertuig zijn vonken zichtbaar. [slachtoffer 1] , alsmede de bromfiets, zijn niet zichtbaar op het camerabeeld. Vermoedelijk bevinden zij zich voor of onder het voertuig van verdachte.
Op afbeelding 18 is zichtbaar dat verdachte uit zijn voertuig is gestapt. Hij loopt richting de kofferbak van zijn voertuig. [slachtoffer 1] is niet zichtbaar op het beeld van de camera. Vermoedelijk bevindt hij zich op dat moment onder het linker achterwiel van het voertuig van verdachte. Opvallend is dat het voertuig van aan de linkerzijde iets omhoog staat. [25] Op afbeelding 19 Verdachte is zichtbaar. Hij heeft de kofferbak van zijn voertuig geopend en staat hierbij.
Op afbeelding 20 is verdachte naast zijn voertuig zichtbaar. Hij heeft de kofferbak van zijn voertuig op dat moment al weer gesloten. Het lijkt erop alsof verdachte niks uit de kofferbak van zijn voertuig heeft gepakt. [26] Op afbeelding 21 is zichtbaar dat verdachte naast zijn auto staat ter hoogte van het bestuurdersportier. Hij stapt vervolgens in zijn auto.
Afbeelding 22. Verdachte bevindt zich in het voertuig. Het lijkt erop dat verdachte zijn voertuig in zijn achteruit heeft gezet, omdat er een extra rode lamp aan de achterzijde van zijn voertuig brandt. [27] Op afbeelding 23 is het voertuig van verdachte zichtbaar. Verdachte zit op dat moment in het voertuig. Verdachte heeft met het voertuig een stukje achteruit gereden. Hij stopt vervolgens met achteruit rijden. Op dat moment is opnieuw zichtbaar dat zijn voertuig met de linkerzijde omhoog staat. [28] Op afbeelding 25 is het voertuig van verdachte een stuk achteruit gereden. Verdachte staat opnieuw bij de kofferbak van zijn voertuig. Hij opent deze en rommelt hierin. Het lijkt alsof hij niks uit de kofferbak van zijn voertuig pakt. [slachtoffer 1] is zichtbaar. Hij lag op de straat voor het voertuig van verdachte en krabbelt overeind. [29]
Een proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op afbeelding 1 is zichtbaar dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij hun broer verdachte [verdachte] staan. Verdachte [verdachte] staat in het midden, tussen zijn broers in. Hij heeft de kofferbak van zijn voertuig dicht gedaan. Deze sluit niet direct goed, waarop getuige [getuige 2] de kofferbak van het voertuig goed afsluit. Getuige [getuige 1] trekt verdachte [verdachte] weg bij de kofferbak van het voertuig en praat tegen hem. Het slachtoffer [slachtoffer 1] is zichtbaar. Hij is samen met getuige [slachtoffer 2] van de weg afgelopen en op het trottoir gaan zitten. [30]
Nadat verdachte [verdachte] en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] naar het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn gelopen, lijkt er een conflict te ontstaan tussen getuige [slachtoffer 2] en verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] ie [verdachte] wordt vervolgens door een van zijn broers meegenomen naar zijn voertuig. De andere broer blijft bij getuige [slachtoffer 2] staan en lijkt hem tegen te houden. Dit is zichtbaar op afbeelding 2. [31]
Op afbeelding 3 is te zien dat verdachte [verdachte] door een van zijn broers wordt weggeduwd en tegengehouden. Hij is kort daarvoor opnieuw richting getuige [slachtoffer 2] gelopen en lijkt opnieuw een conflict aan te gaan met getuige [slachtoffer 2] . [32] Op afbeelding 4 is zichtbaar dat verdachte [verdachte] wordt tegen gehouden door getuige [getuige 1] . De seconden daarvoor stond hij naast zijn voertuig hevig te gebaren in de richting van getuige [slachtoffer 2] . Tevens lijkt het alsof hij zijn middelvinger opsteekt naar getuige [slachtoffer 2] . Wanneer verdachte [verdachte] ter hoogte van de kofferbak van zijn voertuig staat, wordt de kofferbak ontgrendeld. Op de camerabeelden is te zien dat de klep van de kofferbak iets omhoog komt, maar niet helemaal open gaat. Er is niet te zien hoe de kofferbak wordt ontgrendeld. [33]
Op afbeelding 7 is te zien dat verdachte [verdachte] opnieuw richting de plek wil lopen waar getuige [slachtoffer 2] en slachtoffer [slachtoffer 1] zich bevinden. Getuige [getuige 1] moet hem opnieuw tegenhouden om te voorkomen dat hij naar hen toegaat. Dit is op afbeelding 7. [34] Het lukt getuige [getuige 1] niet goed om verdachte [verdachte] tegen te houden. Verdachte [verdachte] schiet langs hem op en maakt een trappende beweging richting een persoon. Dit is vermoedelijk getuige [slachtoffer 2] , maar dit is niet goed te zien op de camerabeelden vanwege de dakverlichting van de witte auto die in het beeld staat. De trappende beweging van verdachte [verdachte] is zichtbaar op afbeelding 8. [35]
Na de trappende beweging van verdachte [verdachte] ie [verdachte] wordt hij weg begeleid door getuige [getuige 1] . Hij moet verdachte [verdachte] tegenhouden om opnieuw in de richting van getuige [slachtoffer 2] en slachtoffer [slachtoffer 1] te gaan. [36]
Een proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2024 , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 oktober 2024 waren wij, [getuige 3] en [getuige 4] , getuige van een incident dat plaatsvond bij ons voor het huis. Wij zijn woonachtig op de [adres] te [woonplaats] . Onze woning bevindt zich op de eerste verdieping van het pand. Omstreeks 04:20 uur, hoorden wij een luide klap op straat. Ongeveer 3 seconden later hoorden wij een tweede klap. Daarom besloten wij om uit het raam te kijken. Wij zagen dat er een donkerkleurige personenauto tegen de lantaarnpaal voor ons huis stond. Wij zagen dat er een bromfiets bij de auto lag. Wij zagen dat er een jongen met blond haar onder het achterwiel aan de bestuurderszijde van de personenauto lag. Wij zagen dat de jongen op zijn buik lag, met zijn gezicht naar beneden. Wij zagen dat het achterwiel op de bovenrug van de jongen met blond haar stond. Wij zagen dat de auto ongeveer 5 seconden met het achterwiel op de rug van de jongen stond. Ik zag dat er meerdere personen buiten stonden. Ik, [getuige 4] , opende het raam en riep dat er een jongen onder de auto lag en dat ze de auto van hem af moesten halen. Wij zagen dat de bestuurder de auto vervolgens hard achteruit reed, waarna de auto met het voorwiel aan de bestuurderszijde op de jongen tot stilstand kwam. Wij zagen dat de auto vervolgens weer 3 seconden op de rug van de jongen stilstond. Wij zagen dat de auto vervolgens nog een keer achteruit reed. Wij zagen dat twee jongens naar de bestuurder van de auto renden en naar hem schreeuwden. [37]
Een proces-verbaal snelheid op basis van camerabeelden van 3 maart 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb een onderzoek ingesteld naar de camerabeelden ter vaststelling van de door de bestuurder van de Honda gereden snelheid.
De bestuurder van de Honda reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 67 km/u en maximaal 86 km/u. Het traject waarover de snelheid werd bepaald, had een lengte van circa 27 meter en eindigde op 30 meter voor de ongevalslocatie. [38]
Een proces-verbaal van bevindingen verklaring slachtoffer [slachtoffer 1] van 7 oktober 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Ik was met een vriend van mijn stiefbroer en mijn stiefbroer, [slachtoffer 2] . Wij waren die avond gaan stappen. Er ontstond een opstootje op straat met een onbekende man, een conflict zou ik het niet noemen. Kort daarna reed ik weg met de bromfiets. Ik zat achterop bij mijn stiefbroer. Opeens klapte er iets achterop de bromfiets en ik voelde mijzelf door de lucht vliegen. Wat ik van daarna nog weet is dat ik opeens onder een auto lag en geen lucht kreeg. Er lag iets heel zwaars op mij. [39] Ik wilde schreeuwen, maar dat lukte niet omdat ik geen lucht kreeg. Vervolgens voelde ik dat het gewicht zich verplaatste naar voren en van mij af. Ik denk dat dit de wielen van de auto waren, want ik zag en voelde vervolgens de auto weer achteruit reed, over mij heen. Voor mijn gevoel was dit expres. Ik kreeg het gevoel dat de man mij dood wilde hebben. Ik voel mij mentaal en fysiek gebroken. Toen ik op de grond lag en dacht dat ik dood ging, zag ik dat de man mij nog steeds uitschold en boos op mij was. Hij hielp mij niet, dat vind ik nog het ergste. Het ging om dezelfde man als van dat opstootje.
Ik liep tijdens de aanrijding de volgende verwondingen op:
  • beschadigd gezicht;
  • afgebroken tand;
  • gebroken ribben;
  • gebroken heup en bekken;
  • gebroken been en kuitbeen;
  • gekneusde maag;
  • gescheurde nier;
  • klaplong.
Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] van 23 oktober 2024, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
We stapten op de bromfiets met zijn drieën en reden weg richting Vaartsche Rijn. Ik reed als bestuurder, [slachtoffer 1] daarachter en [slachtoffer 2] daar achter. Daarna toen we onder het tunneltje bij Vaartsche Rijn door reden, hoorde ik een auto veel gas geven. Dat viel mij op, omdat het harder klonk dan normaal. Toen ik vervolgens in de zijspiegel keek, dacht ik dat dezelfde auto mij wilde inhalen. Ik stond er niet bij stil dat de auto ons ging aanrijden, ik dacht gewoon dat de auto ons wilde inhalen. Ik weet nog dat ik aan de rechterkant van de weg reed, volgens mij was daar een fietsstrook. Ik weet nog dat de auto makkelijk langs ons had kunnen rijden, omdat ik in mijn zijspiegel zag dat er genoeg ruimte op de weg was. Wij reden op dat moment ongeveer 30 kilometer per uur. Ik reed sowieso niet helemaal vol gas. Op dat moment reden wij dichtbij een snackbar. De weg liep recht. Ik voelde hoe ik op de achterkant van de bromfiets werd geraakt, we werden vervolgens geschept. Ik voelde namelijk een klap op de achterkant van de bromfiets, alsof ik vol in mijn rug werd geduwd door iemand. Ik verloor de macht over het stuur en voelde hoe de bromfiets door iets werd voortgeduwd. Ik viel van de bromfiets op de grond. Ik denk dat ik wel vijf seconden out ben gegaan. Ik voelde vervolgens veel pijn in mijn linker pols. Toen ik op de grond lag was ik bang dat ik dood ging. Ik hoorde de motor van de auto op de achtergrond en was bang dat hij weer op mij af zou komen. Kort daarna stond ik op en rende weg. [41]
Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 16 oktober 2024 , opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 3] pakte de bromfiets en wij zijn met z'n drietjes op de bromfiets weggegaan. Wij gingen richting de [naam] , dit was twee straten vanaf De Helling. Wij reden langs de cafetaria en toen werden wij vanachter geschept. Wij reden gewoon en wisten niet dat er iemand achter ons reed. Opeens kwam hij vanachter en hij schepte ons. Ik zat achterop, mijn broertje [slachtoffer 1] zat in het midden en [slachtoffer 3] reed. Terwijl dat gebeurde kon ik met geluk afstappen van de bromfiets, omdat ik achterop zat. Het ging zo snel. Ik stapte af en belandde op mijn benen. Ik zag zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 1] niet meer. Wij hadden geen helm op. [42]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1](broer verdachte)van 8 oktober 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik vroeg aan mijn broertje (de rechtbank begrijpt: de verdachte) wat er was gebeurd. Ik hoorde dat hij zei dat hij een ruzie had gehad bij de Helling. Ik hoorde dat mijn broertje zei: "zij hebben mij met zijn drieën aangevallen en geslagen. Ik wilde ze pakken". Daarbij wees hij naar de 2 jongens die op de bromfiets hadden gezeten. [43]
De verklaring van verdachte op de zitting van 14 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] vroeg drie keer of ik een taxichauffeur was. Ik was boos. Ik voelde mij beledigd. Ik heb geduwd. Ik werd later tegengehouden door iemand, toen was ik boos.
Ik ben op 6 oktober 2024 met mijn personenauto tot botsing gekomen tegen de bromfiets en enkele seconden later weer. De auto stond stil en toen zag ik dat [slachtoffer 1] onder mijn achterwiel lag. Ik heb mijn auto toen achteruit gereden en ik ben toen met mijn voorwiel over [slachtoffer 1] heeft gereden.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Voetnoten

2.Pagina 154.
3.Pagina 156.
4.Pagina 157.
5.Pagina 158.
6.Pagina 159.
7.Pagina 160.
8.Pagina 161.
9.Pagina 162.
10.Pagina 164.
11.Pagina 167.
12.Pagina 168.
13.Pagina 73.
14.Pagina 74.
15.Pagina 76.
16.Pagina 78.
17.Pagina 79.
18.Pagina 80.
19.Pagina 81.
20.Pagina 82.
21.Pagina 83.
22.Pagina 85.
23.Pagina 86.
24.Pagina 87.
25.Pagina 88.
26.Pagina 89.
27.Pagina 90.
28.Pagina 91.
29.Pagina 92.
30.Pagina 183.
31.Pagina 183.
32.Pagina 184.
33.Pagina 184.
34.Pagina 186.
35.Pagina 186.
36.Pagina 197.
37.Pagina 196.
38.Pagina 339.
39.Pagina 57.
40.Pagina 58.
41.Pagina 277
42.Pagina 146.
43.Pagina 283.