5.3.Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zijn de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.
De rechtbank vindt – gelet op de aangehaalde bewijsmiddelen – bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zowel feit 1 primair, feit 2 primair als feit 3 primair van de beschuldiging. Hieronder legt de rechtbank nader uit waarom zij tot dat oordeel komt en gaat zij in op de verweren van de verdediging.
Bewijsoverwegingen feiten 1, 2 en 3
De feiten
In de nacht van 6 oktober 2024 vond er buiten voor uitgaanslocatie Tivoli de Helling in Utrecht een confrontatie plaats tussen de verdachte en [slachtoffer 1] Om 04:20:15 uur stapten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] met zijn drieën op een bromfiets reden en vanaf Tivoli De Helling in de richting van de Baden-Powellweg in Utrecht. [slachtoffer 3] bestuurde de bromfiets, [slachtoffer 1] zat in het midden en [slachtoffer 2] zat achterop. De slachtoffers hadden geen helm op. Om 04:20:37 uur rende de verdachte naar zijn auto toe en om 04:20:46 uur reed hij, met snelheid, ook in de richting van de Baden-Powellweg.
Om 04:21:24 uur reed de bromfiets op de [straat] in Utrecht. Enkele seconden later kwam de verdachte, rijdend in zijn auto, met snelheid achter de bromfiets aan, waarna hij, luid claxonnerend, tegen de achterzijde van de bromfiets botste en tot stilstand kwam. [slachtoffer 2] sprong van de bromfiets af de stoep op. De verdachte reed vervolgens met zijn auto de stoep op in de richting van [slachtoffer 2] .
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zaten nog op de bromfiets na deze eerste aanrijding en vervolgden hun weg over de [straat] . De auto van de verdachte maakte vervolgens een scherpe bocht naar links in de richting van de bromfiets en reed, kort daarna, met de rechtervoorzijde in op de rechterzijde van de bromfiets. Tegelijkertijd raakte de linker voorzijde van de auto de rechterzijde van een tegemoetkomende taxi.
De bromfiets kwam bij de tweede aanrijding ten val. [slachtoffer 3] vloog van de bromfiets af, naar rechts over het wegdek. De bromfiets en [slachtoffer 1] , kwamen onder de auto van de verdachte terecht, waarna zij over het wegdek vooruit schoven. De auto kwam vervolgens tot stilstand. Toen de verdachte uit zijn auto stapte, lag [slachtoffer 1] onder het linker achterwiel van de auto.
De verdachte liep naar zijn kofferbak, deed die open en dicht, en stapte vervolgens weer in zijn auto. De verdachte reed daarna achteruit van [slachtoffer 1] af, waarna zijn auto met het linker voorwiel op [slachtoffer 1] tot stilstand kwam. Daarna reed de verdachte de auto nogmaals achteruit en stapte hij weer uit. Er ontstond vervolgens een conflict tussen de verdachte en [slachtoffer 2] , waarbij de verdachte moest worden tegengehouden door één van zijn broers.
[slachtoffer 1] is met zwaar lichamelijk letsel overgebracht naar het ziekenhuis.
Opzettelijke aanrijding of ongeluk?
De eerste vraag die aan de rechtbank voorligt is of bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk de bromfiets, met daarop de slachtoffers, aanreed of dat er sprake was van een ongeluk, zoals verdachte zelf heeft verklaard.
De verdachte heeft verklaard dat hij de slachtoffers, na de confrontatie bij Tivoli De Helling, toevallig weer (rijdend op de bromfiets) tegenkwam en hen toen per ongeluk aanreed. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat dat hij kort voor de eerste aanrijding dacht dat hij van rechts komend verkeer moest ontwijken. Hij week daarom met zijn auto uit naar links uit, waarna hij snel weer naar rechts stuurde om een vluchtheuvel te ontwijken. Op dat moment reed de bromfiets vlak voor hem en kon hij deze niet meer ontwijken, waarna de eerste aanrijding plaatsvond. Het insturen op [slachtoffer 2] , die op de stoep stond, en de tweede aanrijding gebeurden doordat de verdachte de macht over de auto verloor.
De rechtbank is van oordeel dat dit door de verdachte geschetste (alternatieve) scenario, niet aannemelijk is geworden. Uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte, maakt de rechtbank op dat de verdachte flink boos was tijdens confrontatie bij Tivoli De Helling. De verdachte duwde [slachtoffer 1] , bleef de confrontatie zoeken en moest worden tegengehouden door omstanders. Volgens de verdachte bleef hij even “afkoelen” met een vriend, nadat de slachtoffers wegreden op de bromfiets, maar dit strookt niet met wat de politie heeft gezien op de camerabeelden van Tivoli De Helling. Daarop is gezien dat de verdachte na het vertrek van de slachtoffers op de bromfiets naar zijn auto rende en met snelheid wegreed in dezelfde richting als de slachtoffers.
Uit de camerabeelden van een ringdeurbel van een woning aan de [straat] volgt dat de verdachte ook met snelheid in die straat reed. De politie heeft onderzoek gedaan en heeft berekend dat de verdachte hier met een snelheid van minimaal 67 km/u en maximaal 86 km/u reed, terwijl de toegestane maximale snelheid 50 km/u was. De verdachte kwam zo met zijn auto snel dichtbij de slachtoffers die op dat moment ook op de [straat] reden.
Dat er, toen de verdachte een (flauwe) bocht inreed, van rechts komend verkeer aankwam blijkt niet uit de camerabeelden van de snackbar waarvoor de aanrijding plaatsvond. De verkeerssituatie in de bocht was wel onoverzichtelijk door een bestelbusje dat met de gevarenlichten aan stilstond in die bocht. Dat busje kon de verdachte echter - juist vanwege die gevarenlichten - tijdig zien, waardoor het voor de hand had gelegen dat de verdachte had geremd in plaats van met hoge snelheid de bocht te nemen.
De verdachte heeft de bromfiets, met daarop op dat moment alle drie de slachtoffers, vervolgens, onder luid getoeter, aangereden. De auto van de verdachte kwam na de eerste aanrijding een moment tot stilstand. Hierna gaf de verdachte weer gas, maakte een scherpe bocht naar links en reed met een flinke snelheid in op de wegrijdende bromfiets, met daarop nog [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] vloog van de bromfiets over de weg en de bromfiets en [slachtoffer 1] kwamen onder de auto.
De verdachte stopte de auto en stapte direct na deze tweede aanrijding uit. Hij ging niet op zoek naar (eventuele) slachtoffers van de aanrijdingen en verleende geen hulp aan [slachtoffer 1] , die onder de auto lag. Wel liep de verdachte direct naar de kofferbak van zijn auto en opende die. Iets dat hij ook al deed tijdens de confrontatie bij Tivoli De Helling. Toen probeerde hij iets te pakken en werd tegengehouden door omstanders. In de kofferbak lag een honkbalknuppel.
Nadat er omstanders kwamen en riepen dat er een persoon onder de auto lag, is de verdachte weer in de auto gaan zitten en reed hij deze hard achteruit, waarna de auto met het voorwiel op [slachtoffer 1] tot stilstand kwam. Op aangeven van omstanders reed de verdachte de auto na enkele seconden nog een keer achteruit, van [slachtoffer 1] af.
Uit, onder meer, camerabeelden van na deze gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat de verdachte ook toen boos was. De verdachte verleende opnieuw geen hulp, maar zocht de confrontatie met [slachtoffer 2] en moest worden tegengehouden door zijn broers. Tegen één van zijn broers heeft de verdachte op dat moment gezegd dat hij ruzie had gehad bij Tivoli De Helling, dat de slachtoffers hem met zijn drieën zouden hebben aangevallen en geslagen en dat hij ze wilde pakken.
Uit de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte na de gebeurtenis bij Tivoli De Helling (opnieuw) de confrontatie zocht en aanging met de slachtoffers. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte heeft bedoeld de bromfiets, met daarop de slachtoffers, aan te rijden.
Aanwijzingen dat het een ongeluk was, ziet de rechtbank niet. De verdachte remde weliswaar net voordat hij voor de eerste keer instuurde op de bromfiets maar hij reed daarna alsnog met zijn auto tegen de bromfiets aan. De auto kwam een kort moment tot stilstand en de verdachte gaf daarna gas, reed met de auto de stoep op en stuurde in één beweging in op [slachtoffer 2] , die tijdens de aanrijding van de bromfiets was gesprongen, en maakte daarna een scherpe bocht richting de wegrijdende scooter. De verklaring van de verdachte dat hij de controle kwijt was over de auto kan de rechtbank niet rijmen met het remmen door de verdachte en het feit dat de auto na de aanrijding kort stilstond, maar vervolgens ook weer doorreed. Dat de verdachte van schrik het rempedaal losliet en dat de auto daardoor als het ware naar voren sprong, zoals de verdachte op de zitting heeft verklaard, volgt de rechtbank niet. Een dergelijke ‘sprong’ volgt niet uit de camerabeelden en verklaart ook niet de scherpe stuurbeweging naar links, waarbij de auto nog meer snelheid maakte. Uit het technisch onderzoek aan de auto van de verdachte kwamen verder ook geen voertuigtechnische bijzonderheden naar voren die bijdroegen aan het ontstaan dan wel verloop van de aanrijdingen. Ook waren er geen omgevingsinvloeden die hieraan bijdroegen.
Wat kan er bewezen worden?
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wat de handelingen van de verdachte in juridische zin betekenen; hoe die gekwalificeerd moeten worden. De rechtbank maakt bij de beantwoording van die vraag, gelet op de wijze waarop de handelingen zijn tenlastegelegd, onderscheid tussen de eerste aanrijding, toen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op de bromfiets zaten, (feit 3) en de tweede aanrijding, toen alleen nog [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] op de bromfiets zaten (feiten 1 en 2). De rechtbank bespreekt eerst feit 3 en daarna de feiten 1 en 2 samen.
Voorwaardelijk opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dus dat er sprake is van ‘vol’ opzet. Weliswaar gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte de slachtoffers opzettelijk aanreed, maar dat betekent nog niet dat hij ook wilde dat zij hierdoor zwaar gewond zouden raken. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte bij zijn gedragingen wel ‘voorwaardelijk’ opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank oordeelt als volgt.
De verdachte was erbij toen de slachtoffers voor de Tivoli De Helling op de bromfiets stapten en wegreden, daarna heeft hij hen achtervolgd. De verdachte moet daarbij hebben gezien dat de slachtoffers geen helm droegen. Het met een auto inrijden op een bromfiets met daarop personen zonder helm, zijnde kwetsbare verkeersdeelnemers, en vervolgens nog insturen op [slachtoffer 2] die van de bromfiets afsprong, brengt naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans met zich mee dat deze personen letsel oplopen dat als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
Daarna moet de rechtbank onderzoeken of de verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans was dat de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen en of de verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het, zonder aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De verdediging heeft in dit verband gewezen op de omstandigheden dat de verdachte zelf ook het risico liep verwond te raken, dat hij zelf schade heeft opgelopen en zijn broer schade heeft toegebracht en dat het gedrag van de verdachte na de aanrijdingen er niet op was gericht om de slachtoffers alsnog te doden of te mishandelen. De rechtbank ziet hierin geen contra-indicaties. Waar het gaat om het gedrag van de verdachte na de aanrijdingen geldt dat de rechtbank, zoals hiervoor al overwogen, gebleken is dat de verdachte ook na de aanrijdingen nog de confrontatie zocht en zei dat hij de slachtoffers wilde “pakken”. De rechtbank leidt hieruit af dat dit voor de verdachte op dat moment kennelijk het belangrijkste doel was en dat hij de nadelige gevolgen voor hemzelf en voor anderen dan de slachtoffers daarbij dus kennelijk voor lief nam.
Dat het bij deze eerste aanrijding niet tot zwaar lichamelijk letsel is gekomen, is enkel aan het snelle handelen van [slachtoffer 2] te danken en aan de reactie van de bestuurder van de bromfiets, maar niet aan de verdachte. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 1 primair en feit 2 primair
Voorwaardelijk opzet op de dood
De rechtbank stelt ook bij deze feiten voorop dat het dossier onvoldoende aanknopings-punten bevat waaruit blijkt dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] van het leven beroven. Wel vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte door zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .
Het met aanzienlijke snelheid, zonder te remmen of uit te wijken, met een auto inrijden op een bromfiets, brengt naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans met zich dat de opzittenden van de bromfiets dusdanig letsel oplopen dat zij als gevolg daarvan kunnen komen te overlijden. Dat geldt ook voor het (eenmalig) met de auto achterwaarts over [slachtoffer 1] heen rijden. Het levensbedreigende letsel dat [slachtoffer 1] opliep onderstreept dit nog maar eens. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geen helm droegen, maakte hen in dit geval extra kwetsbaar, waardoor deze aanmerkelijk kans nog groter was. De wetenschap van de aanmerkelijke kans op het overlijden mag bij de verdachte, gelet op algemene ervaringsregels, worden verondersteld.
De doelgerichte gedragingen van de verdachte waren naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood, dat reeds hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Van concrete indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Dat de verdachte dit heeft ontkend, is daarvoor in de gegeven situatie onvoldoende. Voor de door de verdediging aangedragen contra-indicaties verwijst de rechtbank naar haar oordeel hierover bij feit 3. Dat de verdachte, toen hij over [slachtoffer 1] heen reed, gevolg gaf aan de oproep van omstanders om naar achteren te rijden, ziet de rechtbank ook niet als een contra-indicatie. De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat verdachte hierbij niet uiterst voorzichtig handelde maar, zoals getuigen hebben verklaard, hard naar achteren reed.
Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bij deze tweede aanrijding niet zijn overleden, is enkel aan adequaat medisch ingrijpen en geluk te danken, niet aan de verdachte. De rechtbank acht de ten laste gelegde pogingen tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Gebruik verklaringen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] voor het bewijs
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] uitgesloten moeten worden van het bewijs, omdat zij geen betrouwbare getuigen zijn. De rechtbank gaat hierin niet mee en gebruikt deze verklaringen wel voor het bewijs. Het is juist dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in hun eerste verklaringen aantoonbaar hebben gelogen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] verklaarden in eerste instantie dat niet drie, maar twee personen op de bromfiets zaten en dat [slachtoffer 3] niets had meegekregen van de aanrijdingen. Zij verklaarden later tegenover de politie dat zij hierover logen omdat ze bang waren dat hen verweten zou worden dat ze met drie personen, zonder helm en zonder rijbewijs op een bromfiets reden. Toen ze begrepen hoe [slachtoffer 1] eraan toe was, zagen ze in dat ze hierover eerlijk moesten gaan verklaren. De rechtbank vindt deze verklaring aannemelijk. Daar komt bij dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , voor zover relevant voor het bewijs, worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zoals de beschrijving van de camerabeelden.