Uitspraak
xRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen
[zoon A] en [zoon B],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft de hoogte van de tegemoetkomingen toegekend aan de zoons van eiser op grond van de Kindregeling van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser betwist dat de vastgestelde bedragen van €4.000 respectievelijk €6.000 toereikend zijn en voert aan dat deze niet recht doen aan de geleden schade.
De rechtbank stelt vast dat de zoons voldoen aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming en dat de bedragen conform artikel 2.12 van de Wht zijn vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat zij geen ruimte heeft om af te wijken van deze vaste bedragen, omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor een forfaitaire tegemoetkoming als steuntje in de rug en niet als schadevergoeding.
Een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht om van de hoogte af te wijken wordt verworpen, omdat deze clausule niet ziet op de hoogte van de tegemoetkoming maar op de toekenning ervan. Tevens wijst de rechtbank het verzoek af om het persoonlijk dossier van de ouders te verstrekken, omdat dit niet onder de opvraagbare stukken valt.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de bestuursrechter op grond van het geldende recht geen bevoegdheid heeft om schadevergoeding toe te kennen bij niet-ontvankelijk verklaarde beroepen. De rechtbank verwijst naar andere compensatieregelingen en de mogelijkheid voor de ouders om bij de Commissie Werkelijke Schade een aanvraag in te dienen.
De beroepen worden ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de vastgestelde tegemoetkomingen van €4.000 en €6.000.